Naar boven ↑

Rechtspraak

Y c.s./werknemer
Rechtbank Noord-Nederland, 15 oktober 2013
ECLI:NL:RBNNE:2013:6135

Y c.s./werknemer

Het voor de overgang van onderneming tussen werknemer en de verkrijger overeengekomen concurrentiebeding is nietig, omdat werknemer hierdoor wordt benadeeld. Geen onrechtmatige concurrentie

Werknemer is in 1991 in dienst van X getreden als monteur. Per 1 januari 2013 zijn de bedrijfsactiviteiten overgenomen door Y. Tussen Y en werknemer is op 15 november 2012 een arbeidsovereenkomst overeengekomen met daarin opgenomen een concurrentiebeding. Werknemer heeft in december 2012 zijn arbeidsovereenkomst met X opgezegd en aan Y meegedeeld dat hij niet mee zou overgaan. Op 2 januari 2013 is werknemer in dienst getreden van A, een concurrerende onderneming die ook actief is op het gebied van de groothandel in machines voor de voedings- en genotmiddelenindustrie. Y stelt dat werknemer hiermee het concurrentiebeding overtreedt en vordert betaling van verbeurde boetes.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer wordt gevolgd in zijn stelling dat het overeengekomen concurrentiebeding nietig is, omdat een werknemer niet vanwege een overgang van onderneming kan afzien van gunstiger arbeidsvoorwaarden (HvJ EG 10 februari 1988). Het Hof van Justitie is in zijn jurisprudentie consequent in de aanduiding van het doel van de richtlijn: het gaat om het behoud van rechten en het bij de verkrijger in dienst kunnen blijven op dezelfde voorwaarden als bij de vervreemder. Dat de rechten van werknemer zijn verminderd, is duidelijk geworden. Werknemer was op grond van zijn arbeidsovereenkomst met X vrij om bij elke andere – concurrerende – onderneming in dienst te treden. Op grond van de arbeidsovereenkomst met Y is werknemer gehouden ‘tot vier jaar na het eindigen van deze arbeidsovereenkomst, af te zien van het sluiten van een arbeidsovereenkomst met een werkgever, die als concurrent, leverancier of klant van het bedrijf kan worden aangemerkt’. Het is duidelijk dat werknemer hiermee ten opzichte van zijn arbeidsovereenkomst met X wordt beperkt in zijn vrije arbeidskeuze. De stelling van Y dat geen sprake zou zijn van een overgang van onderneming, omdat de activiteiten van X zijn verdeeld over drie ondernemingen wordt verworpen. Y heeft eerder het standpunt ingenomen dat wel sprake is van een overgang van onderneming. Ook het standpunt van Y dat werknemer zich schuldig maakt aan onrechtmatige concurrentie faalt. Niet aannemelijk is geworden dat werknemer beschikte over, of gebruik dan wel misbruik heeft gemaakt van de door hem bij X opgebouwde goodwill. Het bezoeken van klanten, ook al zou werknemer verkoper zijn, is niet onrechtmatig. Maar bovendien heeft Y onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de genoemde klanten tot het duurzame bedrijfsdebiet van X dan wel Y behoren. Tot slot is niet aannemelijk dat sprake is van afbreuk van een substantieel bedrijfsdebiet. Volgt afwijzing van de vorderingen.