Naar boven ↑

Rechtspraak

CNV Vakmensen en Nederlandse Bond Bouw- en Houtnijverheid/Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland Vebidak
Hoge Raad, 22 november 2013
ECLI:NL:HR:2013:1391

CNV Vakmensen en Nederlandse Bond Bouw- en Houtnijverheid/Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland Vebidak

Uitleg CAO Dakbedekkingsbedrijven inzake vergoeding reistijd voor de duur van de reis vanaf werkplek (en niet woonplaats werknemer) behoudens eerste 60 minuten, leidt niet tot onaanvaardbaar rechtsgevolg als werknemer belangrijk deel van reistijd niet vergoed krijgt. Indien een werknemer in onevenredige mate geen vergoeding krijgt, kan dit wel strijdig zijn met het goed werkgeverschap

(Cassatieberoep van AR 2009-0225.) In casu betreft het een geschil over de uitleg van de reistijdvergoeding in de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven. Artikel 17 cao luidt: ‘Indien een werknemer door een werkgever te werk wordt gesteld op een werkobject dat buiten zijn woonplaats is gelegen, is de werknemer verplicht voor de reis van de woonplaats naar object vice versa gebruik te maken van een door de werkgever aan te wijzen vervoermiddel (...).’ Het tweede lid van artikel 17 cao geeft werknemers recht op een vergoeding ‘voor de duur van reis’, behoudens de eerste 60 minuten. Artikel 18 cao luidt: ‘Indien een werknemer, naar het oordeel van de werkgever, bij het zich naar en van het werk begeven, gebruik moet maken van een eigen vervoermiddel en/of daarvan tijdens en ten behoeve van de werkzaamheden gebruik maakt, zal hem een vervoermiddelenvergoeding worden betaald.’ De vakbonden en Vebidak verschillen van mening over de uitleg van deze cao-bepalingen. Volgens de vakbonden moet de bepaling aldus worden gelezen dat een werknemer reeds vanaf het vertrek van zijn woonplaats recht heeft op de vergoeding genoemd in artikel 17 cao. Volgens Vebidak is dat onjuist en komt een werknemer pas in aanmerking voor de aldaar genoemde vergoeding voor het werkverkeer vanaf de locatie van de werkgever (en dus niet vanaf de woonplaats van de werknemer). Het hof heeft Vebidak in het gelijk gesteld. Tegen dit oordeel keren de vakbonden zich in cassatie. Het middel voert aan dat artikel 17 van de cao ervan uitgaat dat de reis van de werknemer naar het werkobject (en vice versa), steeds aanvangt (en eindigt) bij zijn woonplaats en dat het andersluidende oordeel van het hof (waar het gaat om de reis per bedrijfsbus vanaf het bedrijfsterrein van de werkgever) onjuist is. Het middel wijst erop dat het feit dat de werknemer de eerste zestig minuten van zijn reistijd niet als garantie-uurloon krijgt vergoed (tenzij hij de bestuurder van het aangewezen vervoermiddel is), bezwaarlijk anders kan worden gezien dan als een regeling om forfaitair te voorzien in een redelijke woon-werkvergoeding, terwijl het ongerijmde rechtsgevolg van de opvatting van het hof zou zijn dat bij werk-werkverkeer, zoals de reis per bedrijfsbus vanaf het bedrijfsterrein van de werkgever naar het werkobject en vice versa, de werknemer niet alleen de reistijd tussen zijn woonplaats en het bedrijf van zijn werkgever voor eigen rekening zou moeten nemen, maar ook de eerste zestig minuten van het werk-werkverkeer per bedrijfsbus (tenzij hij daarvan de bestuurder is).

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Bij de reis waarop artikel 17 van de cao ziet, gaat het blijkens het eerste lid van die bepaling om het vervoer waarvoor de werkgever op de voet van dat lid een vervoermiddel heeft aangewezen. Dergelijk vervoer heeft onder de Arbeidstijdenwet (Atw) als arbeidstijd te gelden omdat dit vervoer plaatsvindt onder het gezag van de werkgever (zie thans art. 1.7 aanhef en onder k Atw), in tegenstelling tot het (gewone) woon-werkverkeer dat niet als arbeidstijd geldt. Artikel 17 van de cao beoogt, blijkens zijn inhoud en opbouw, voor (uitsluitend) die reistijd een vergoeding te bieden, overeenkomstig de regels van het tweede en derde lid. De ‘plaats van vertrek’ in de zin van het derde lid is derhalve de plaats waarop het door de werkgever aangewezen vervoer aanvangt, met andere woorden de daartoe door de werkgever aangewezen plaats. Dat kan het woonadres van de werknemer zijn, maar ook het bedrijfsterrein van de werkgever of een andere daarvoor in aanmerking komende plaats. De uitleg van het hof is dus juist. De omstandigheid dat bij die uitleg soms een belangrijk deel van de reistijd van de werknemer niet zal worden vergoed indien het door de werkgever aangewezen vervoer plaatsvindt vanaf diens bedrijfsterrein, maakt die uitleg, anders dan het middel wil, niet onaanvaardbaar. De wet verplicht de werkgever immers niet tot vergoeding van reistijd als de reis geen onderdeel uitmaakt van de overeengekomen arbeid. Die wettelijke verplichting ontbreekt ook indien de reistijd is aan te merken als arbeidstijd in de zin van de Atw op de enkele grond dat de reis plaatsvindt onder gezag van de werkgever omdat hij degene is die de wijze van vervoer bepaalt, zoals in het geval van artikel 17 lid 1 van de cao. Het is aan partijen overgelaten om over de vergoeding van die reistijd afspraken te maken. In het onderhavige geval is dit kennelijk gebeurd door de bepaling in artikel 17 lid 2 van de cao dat de duur van de reis wordt vergoed, in beginsel behoudens de eerste 60 minuten per dag. Het middel faalt derhalve. 

Overigens verdient opmerking dat de wijze waarop de werkgever op de voet van artikel 17 lid 1 van de cao het vervoer van de werknemers bepaalt, in strijd kan komen met de eis van goed werkgeverschap of de eisen van redelijkheid en billijkheid, indien deze voor de werknemers in een onevenredige mate leidt tot reistijd die niet op de voet van het artikel voor vergoeding in aanmerking komt.