Naar boven ↑

Rechtspraak

El Al Israel Airlines/werknemer
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 25 juni 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:4690

El Al Israel Airlines/werknemer

Werknemer heeft arbeidsovereenkomst met El Al, ondanks schriftelijke overeenkomst met Staat Israël en loonbetaling via Israël. Mocht geen arbeidsovereenkomst met El Al tot stand zijn gekomen, dan is El Al opvolgend werkgever ex artikel 7:668a BW

El Al verzorgt vluchten van en naar Israël en heeft een vestiging in Amstelveen, ook wel El Al Town Office (verder: Town Office) genoemd. Daarnaast bestaat een afdeling op Schiphol, El Al Security genoemd (verder: Security). In Amstelveen worden allerlei activiteiten verricht, waaronder ticketverkoop. Bij Security op Schiphol worden vooral beveiligingsactiviteiten verricht. De Staat Israël financiert de beveiliging van het vluchtverkeer tussen Schiphol en vliegvelden in Israël. El Al krijgt daartoe van de Staat Israël een budget, dat voor Schiphol via Security wordt besteed. De werknemers bij Security hebben een schriftelijke overeenkomst met de Staat Israël gesloten. De tewerkstellingsvergunningen en de vergunningen voor de beveiligingswerkzaamheden worden via de Israëlische ambassade (verder: de ambassade) gerealiseerd. De ambassade betaalt het salaris van werknemers bij Security vanaf een aparte rekening, die een-op-een door El Al wordt gevuld. El Al keurt de hoogte van het salaris goed. Werknemer, thans 38 jaar oud, is Israëlisch staatsburger en is in 2004 door El Al in Israël als werknemer geworven. Hij is na een interne training bij El Al aanvankelijk in de functie van medewerker bij Security begonnen en heeft later de functie van ‘assistant security officer’ bij Security vervuld. Werknemer is vanaf februari 2005 in dienst van de Staat Israël werkzaam op Security op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Na de vijfde verlenging geeft de Staat Israël aan dat het contract per 1 januari 2011 niet meer zal worden verlengd. Hij heeft voor Security steeds financieel administratieve werkzaamheden verricht. El Al Town Office biedt werknemer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan als ‘senior accountant’. De overeenkomst is een paar keer verlengd. De laatste overeenkomst eindigt per 1 januari 2013. Werknemer stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege eindigt.

Het hof oordeelt als volgt. De eerste vraag is of werknemer in dienst is getreden van de Staat Israël of van meet af aan in dienst was van El Al. Hoewel sprake is van een schriftelijke overeenkomst tussen werknemer en de ambassade van Israël, acht het hof voorhands voldoende aannemelijk dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen werknemer en El Al. Voorts neemt het hof in aanmerking dat werknemer uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij nooit de bedoeling heeft gehad een overeenkomst met de Staat Israël aan te gaan, met name ook niet toen hij de overeenkomst van 16 februari 2005 ondertekende, en dat zijn stelling dat hem bij die gelegenheid desgevraagd is gezegd dat die constructie werd gehanteerd in verband met de benodigde verblijfs- en tewerkstellingsvergunning, in zoverre bevestiging vindt in de schriftelijke verklaring van Mark Wentzel (algemeen directeur) van 10 januari 2013 dat deze verklaart dat hem door de controller van El Al Head Office in Tel Aviv desgevraagd is gezegd dat de omstandigheid dat de salarisbetalingen via een tussenrekening bij de ambassade verliepen belastingtechnische redenen had. Het enkele feit dat de salarissen van medewerkers van Security werden betaald vanaf een bankrekening die op naam stond van de Israëlische ambassade, is onvoldoende om aan de conclusie dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen El Al en werknemer in de weg te staan, reeds omdat vaststaat dat op dezelfde datum waarop die salarissen werden betaald de desbetreffende bedragen door El Al op diezelfde rekening van de ambassade – die niet door de ambassade maar door de controller en de General Manager van El Al werd beheerd – werden gestort en dus slechts via die rekening door El Al werden betaald en, voorts, dat belastingtechnische redenen hieraan ten grondslag lagen. Ook het enkele feit dat werknemer na afloop van de laatste verlenging van de overeenkomst van 16 februari 2005 een zogenoemde ‘severance payment’ (beëindigingsvergoeding) van de Israëlische Staat heeft ontvangen, staat daaraan niet in de weg en wettigt evenmin de door El Al getrokken conclusie dat ook werknemer er kennelijk van uitging dat hij in 2011 in dienst zou treden bij een andere werkgever. Op grond van artikel 7:668a lid 1 BW is werknemer voor onbepaalde tijd in dienst van El Al.

Ook als zou moeten worden aangenomen dat werknemer aanvankelijk vanaf 16 februari 2005 in dienst is geweest van de Israëlische Staat en vervolgens vanaf 1 januari 2011 van El Al – wat het hof in dit geding niet aanneemt –, dan moet geoordeeld worden dat deze werkgevers ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW. Dit leidt tot de conclusie dat ten aanzien van werknemer ook is voldaan aan de vereisten van artikel 7:668a lid 2 BW, zodat de tussen werknemer en El Al bestaande arbeidsovereenkomst ook op deze grond als voor onbepaalde tijd aangegaan heeft te gelden.