Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 2 mei 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:1755

werknemer/werkgever

Opvolgend werkgeverschap na faillissement. Geen onderlinge rangorde tussen Ragetlie-regel en ketenregeling. Vaststellingsovereenkomst waarin op voorhand wordt afgeweken van ketenregeling en partijen het van rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen, is wegens strijd met dwingend recht vernietigbaar.

Vervolg tussenvonnis. De curator heeft na het faillissement van Trappenfabriek de arbeidsovereenkomst van werknemer opgezegd. De activiteiten zijn voortgezet door Traptechniek. Daarbij is aan werknemer een overeenkomst voor bepaalde tijd aangeboden, waarbij hij dezelfde werkzaamheden is blijven doen. In het tussenvonnis van 4 april 2014 heeft de kantonrechter geoordeeld dat sprake is van opvolgend werkgeverschap in de zin van artikel 7:668a BW en artikel 7:667 BW, omdat aan alle vereisten wordt voldaan die aan opvolgend werkgeverschap na faillissement worden gesteld (zie HR 11 mei 2012, AR 2012-0470). Gelijktijdig met de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft werknemer een hem voorgelegde vaststellingsovereenkomst getekend, waarbij hij heeft ingestemd met de verklaring dat Traptechniek nimmer als opvolgend werkgever kan worden aangemerkt van Trappenfabriek als bedoeld in artikel 7:667 lid 5 en/of artikel 7:668 lid 2 BW en dat de nieuw aangeboden arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen op de overeengekomen datum. De vraag die voorligt is of de arbeidsovereenkomst door het enkele verloop van tijd geëindigd is, of door de werking van de vaststellingsovereenkomst.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Er bestaat geen onderlinge rangorde tussen de artikelen 7:667 lid 4 BW en artikel 7:668a lid 2 BW. Deze artikelen kunnen als nevengeschikt worden beschouwd. Steun hiervoor wordt gevonden in de uitspraak van het Hof Den Haag van 3 maart 2009 (AR 2009-0173) en van 16 maart 2010 (AR 2010-0481). Daarin heeft het hof – kort samengevat – geoordeeld dat het vierde en vijfde lid van artikel 7:667 BW niet in de weg staan aan de toepassing van artikel 7:668a lid 2 BW en beide artikelen tegelijkertijd en naast elkaar van toepassing zijn. Artikel 7:668a lid 2 BW beperkt zich bovendien niet tot tijdelijke arbeidsovereenkomsten; een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die na een faillissement rechtsgeldig door de curator is opgezegd valt eveneens onder dit artikel. Werknemer heeft zich beroepen op de ketenregeling van artikel 7:668a BW. Artikel 7:668a BW is van driekwart dwingend recht. Niet gebleken is dat gebruik is gemaakt van de beperkte mogelijkheid die lid 5 biedt om van dit artikel af te wijken. Dit betekent dat partijen aan de ketenregeling gebonden zijn.

Resteert de vraag of partijen van deze wettelijke bepaling konden afwijken in een vaststellingsovereenkomst die maakt dat de arbeidsovereenkomst op grond daarvan alsnog geëindigd is. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Anders dan werknemer betoogt dient de tweede tussen partijen gesloten overeenkomst wel als een vaststellingsovereenkomst gekwalificeerd te worden. Immers een vaststellingsovereenkomst kan blijkens artikel 7:900 BW ook aangegaan worden ter voorkoming van een onzekerheid of geschil. Die situatie doet zich hier voor. Bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst was geen sprake van een geschil tussen partijen. In de vaststellingsovereenkomst zelf is geen toelichting opgenomen waaruit de beweegredenen voor het aangaan van de vaststellingsovereenkomst kunnen worden afgeleid. Feitelijk regelt deze overeenkomst dat partijen zich op voorhand neerleggen bij het einde van de arbeidsovereenkomst, waar dit zonder deze overeenkomst op grond van dwingend recht niet het geval zou zijn. Was die strijd met dwingend recht er niet geweest, was er geen reden voor het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. Gelet op de ontstaansgeschiedenis van artikel 7:902 BW hoort dat niet mogelijk te zijn. Daarbij komt dat met de gekozen constructie niet alleen afgeweken wordt van de dwingendrechtelijke ketenregeling, maar dat door het toestaan van deze constructie de werknemer feitelijk ook zijn bescherming bij ziekte verminderd ziet en regels die behoren te gelden bij een bedrijfseconomische beëindiging buiten toepassing gelaten kunnen worden. Aangezien artikel 7:668a BW een regel is ter bescherming van de belangen van de werknemer, is de vaststellingsovereenkomst wegens strijd met dwingend recht vernietigbaar op grond van artikel 3:40 lid 2 BW. De vaststellingsovereenkomst is bij schrijven van 3 januari 2014 terecht buitengerechtelijk vernietigd. Dit maakt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen thans nog bestaat.