Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 10 juni 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:4702
X en Koninklijke Beroepsorganisatie voor Gerechtsdeurwaarders/Sociale Verzekeringsbank
(In lijn met AR 2014-0507 en AR 2014-0203.) Tussen partijen (de deurwaarder en de SVB) is een verschil van mening ontstaan omtrent het door de SVB in de maand mei aan X uitbetaalde (AOW-)vakantiegeld. De SVB stelt zich daarbij op het standpunt dat de opgebouwde maandbedragen van het vakantiegeld weliswaar eens per jaar worden uitbetaald, maar dat dit jaarbedrag gelijkelijk over twaalf maanden moet worden verdeeld. Omdat in het geval van genoemde X de maandelijkse uitkering, verhoogd met 1/12 deel van het vakantiegeld, lager was dan de beslagvrije voet, kon in haar optiek van enige afdracht aan KBG geen sprake zijn. De SVB heeft dit standpunt helder uiteengezet in haar brief aan KBG van 11 oktober 2011, nadat zij in haar brief aan KBG van 17 juni 2011 al had laten weten het vakantiegeld aan X te hebben uitgekeerd. Aan partijen en aan het hof is bekend dat de rechtsvraag waarop de tweede grief betrekking heeft ter beantwoording voorligt aan de Hoge Raad in het kader van een cassatieprocedure in het belang der wet, waarin de waarnemend advocaat-generaal Hammerstein op 14 februari 2014 heeft geconcludeerd (ECLI:NL:PHR:2014:71). Het is het hof ambtshalve bekend dat de Hoge Raad in bedoelde zaak binnen afzienbare tijd (tussen)arrest zal wijzen. Dat het hof, kort na de uitspraak van de Hoge Raad, tot een ander oordeel dan de Hoge Raad zal komen, ligt niet in de lijn der verwachtingen, zodat, indien het antwoord op de desbetreffende rechtsvraag beslissend zou zijn geweest voor de onderhavige procedure, het hof de uitspraak van de Hoge Raad zou hebben afgewacht, teneinde partijen een eventueel cassatieberoep te besparen. Nu de grief een beslissing ten overvloede betreft, heeft aanhouding van de beslissing in deze kwestie door het hof, totdat de Hoge Raad ter zake heeft beslist, echter weinig zin.