Naar boven ↑

Rechtspraak

erfgenamen van werknemer/Domijn
Hoge Raad, 3 oktober 2014
ECLI:NL:HR:2014:2898

erfgenamen van werknemer/Domijn

Ontbindingsvergoeding blijft verschuldigd bij einde arbeidsovereenkomst wegens overlijden werknemer na ontbindingsbeschikking, maar vóór beoogde tijdstip van ontbinding. Strijd met gesloten stelsel van rechtsmiddelen indien zonder aanwending rechtsmiddel rechtskracht kan worden ontzegd aan onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

(Zie ook AR 2010-0751 en AR 2013-0691.) Werknemer is op 1 juni 1983 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Domijn. Wegens het functioneren van werknemer heeft Domijn in juni 2009 te kennen gegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. Na overeenstemming hebben partijen een pro-formaontbindingsverzoek ingediend bij de Kantonrechter Enschede, waarbij de ontbindingsdatum is bepaald op 1 april 2010 met toekenning van een vergoeding ad € 66.000. De beschikking is op 31 augustus door de kantonrechter afgegeven. Op 30 december 2009 is werknemer overleden. Domijn heeft voor de erven van werknemer diverse financiële voorzieningen getroffen krachtens de cao. De erfgenamen hebben onder meer gevorderd dat Domijn wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 65.952 bruto, primair op grond van de tussen partijen (erflater en Domijn) gesloten beëindigingsovereenkomst en subsidiair op grond van de door de kantonrechter afgegeven ontbindingsbeschikking. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Het hof heeft de vorderingen afgewezen.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Bij de beoordeling van het voorgestelde onderdeel wordt vooropgesteld dat aan een ontbindingsbeschikking als bedoeld in artikel 7:685 BW niet slechts rechtskracht, althans rechtsgevolg toekomt indien de arbeidsovereenkomst op het in de beschikking bepaalde tijdstip van ontbinding nog steeds bestaat, want dan zou aan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak zonder aanwending van enig rechtsmiddel rechtskracht kunnen worden ontzegd door in een volgend geding te doen vaststellen dat deze uitspraak geen rechtskracht heeft verkregen of dat de rechtskracht daaraan is ontvallen omdat de grondslag waarop de uitspraak berustte, is weggevallen. Dat is onverenigbaar met het gesloten stelsel van de in de wet geregelde rechtsmiddelen (vgl. HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2308, NJ 1997/380 en HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2312, NJ 2011/220). Indien het hof heeft geoordeeld dat een ontbindingsvergoeding slechts verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst op het in de ontbindingsbeschikking bepaalde tijdstip van ontbinding nog bestaat, heeft het, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Als het hof heeft bedoeld dat de ontbindingsbeschikking zo moet worden begrepen dat geen ontbindingsvergoeding behoeft te worden betaald indien de arbeidsovereenkomst voor 1 april 2010 door een andere oorzaak is geëindigd, geeft dat oordeel evenzeer blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In dat geval heeft het hof miskend dat de eis van rechtszekerheid meebrengt dat een dergelijke uitleg alleen gerechtvaardigd is indien in de ontbindingsbeschikking is bepaald dat de daarin toegekende vergoeding slechts verschuldigd zal zijn indien de arbeidsovereenkomst op de datum met ingang waarvan wordt ontbonden nog bestaat, dan wel indien die beschikking in die zin moet worden begrepen omdat in de daaraan ten grondslag liggende beëindigingsovereenkomst een voorwaarde van die strekking is opgenomen. Het onderdeel slaagt dus. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu noch in de ontbindingsbeschikking, noch in de beëindigingsovereenkomst is bepaald dat de vergoeding slechts verschuldigd zal zijn indien de arbeidsovereenkomst op 1 april 2010 nog bestaat, is de vergoeding verschuldigd, ook al is de arbeidsovereenkomst door het overlijden van erflater eerder dan op die datum geëindigd. Het vonnis van de kantonrechter dient dan ook te worden bekrachtigd.