Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 augustus 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:3431
werkneemster/Stichting Amstelring Groep
Werkneemster is op basis van een leer-arbeidsovereenkomst met ingang van 15 november 2010 in dienst getreden van Amstelring als leerling-verzorgende IG. De arbeidsovereenkomst kent als ontbindende voorwaarde het voortijdig staken van de opleiding, dan wel het behalen van de opleiding. Bij brief van 15 oktober 2013 heeft het ROC aan werkneemster bericht dat zij per 30 september 2013 is uitgeschreven voor de opleiding. Vanaf dat moment stelt Amstelring zich, op de voet van artikel 4 lid 5 van die overeenkomst, op het standpunt dat de leer-arbeidsovereenkomst van rechtswege per 1 november 2013 is geëindigd. Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van een rechtsgeldige ontbindende voorwaarde. Werkneemster stelt dat de dwingendrechtelijke bepalingen van het arbeidsrecht voorrang verdienen boven hetgeen zij met Amstelring is overeengekomen nu zij beduidend meer uren werkte dan scholing genoot. Verder stelt zij dat zij de opleiding niet heeft gestaakt omdat het ROC haar heeft uitgeschreven. Voorts zou de ontbindende voorwaarde in strijd met het arbeidsrecht zijn.
Het hof oordeelt als volgt. Een ontbindende voorwaarde kan, maar behoeft niet noodzakelijk met het gesloten stelsel van de regels betreffende beëindiging van de arbeidsovereenkomst onverenigbaar te zijn. Van geval tot geval moet worden bezien in hoeverre de strekking van voormelde regels tot nietigheid van de ontbindende voorwaarde leidt. Voor een zodanige nietigheid is – naar de kantonrechter terecht heeft aangenomen – in het onderhavige geval geen plaats. Immers, de leer-arbeidsovereenkomst kenmerkt zich hierdoor, zoals ook door Amstelring onvoldoende weersproken naar voren is gebracht, dat sprake is van een driepartijenrelatie waarbij de leerling (werkneemster) deeltijdonderwijs volgt bij een onderwijsinstelling (ROC), de werkgever (Amstelring) de leerling (mede) opleidt en de leerling de in het kader van de opleiding gegeven opdrachten uitvoert. Theorie en praktijk zijn aldus onlosmakelijk met elkaar verbonden, verlenen elkaar hun zin en met het wegvallen van de een ontvalt de basis voor de ander. Een ontbindende voorwaarde als waarvan in deze overeenkomst sprake is vindt in die verbondenheid dan ook begrijpelijkerwijs haar grondslag. Wel is voor een beroep door de werkgever op de ontbindende voorwaarde vereist dat de vervulling ervan niet door hem in de hand is gewerkt, dat het beroep op de voorwaarde redelijkerwijs verenigbaar is met het gesloten stelsel van ontslagrecht en dat de vervulling van de voorwaarde niet te veel verbonden is aan de subjectieve waardering door de werkgever. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan evenmin worden gezegd dat reeds omdat werkneemster gewoonlijk meer uren aan arbeid dan scholing besteedde ofwel het arbeidselement meer op de voorgrond stond dan het opleidingselement (voor zover dat al gezegd kan worden nu de arbeid evenzeer scholingsaspecten omvatte; maar bedoeld zal zijn: meer tijd doorbracht bij Amstelring dan bij het ROC) het gesloten stelsel van ontslagrecht moet prevaleren boven hetgeen partijen in de leer-arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk op dit punt zijn overeengekomen. Nu werkneemster voor het ROC sinds februari 2013 praktisch onbereikbaar bleek te zijn waardoor zij uiteindelijk is uitgeschreven, moet worden geoordeeld dat sprake is van een rechtsgeldige beëindiging. De kosten van de opleiding mag Amstelring dan verrekenen met de laatste loonbetaling. Anders dan werkneemster kennelijk meent volgt uit artikel 7:632 BW niet dat in dat geval nog uitzonderingen bestaan op de te verrekenen posten. Die uitzonderingen gelden immers alleen bij een voortdurende arbeidsovereenkomst.