Naar boven ↑

Rechtspraak

TUI Nederland N.V./werknemer
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 18 november 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:4792

TUI Nederland N.V./werknemer

Herstel kennelijke fout in arrest en aanvulling arrest. Nu het hof heeft geoordeeld dat sprake was van een dringende reden, had het hof daaraan tevens de conclusie moeten verbinden dat de door werkgever gevorderde gefixeerde schadevergoeding van € 45.900, alsnog diende te worden toegewezen.

Het hof heeft in de onderhavige zaak over een ontslag op staande voet op 5 augustus 2014 eindarrest gewezen (zie AR 2014-1036). TUI heeft zich op het standpunt gesteld dat het arrest een kennelijke fout bevat en herstel daarvan verzocht. Voorts stelt TUI dat hof heeft verzuimd te beslissen op een onderdeel van het gevorderde en het hof verzocht tot aanvulling van het arrest over te gaan. Werknemer heeft geen bezwaar tegen het verzoek tot herstel en verzet zich tegen toewijzing van het verzoek tot aanvulling.

Het hof oordeelt als volgt. TUI wijst erop dat in het arrest is overwogen, kort gezegd, dat het totaal van de ten onrechte ten laste van FCN gebrachte en door werknemer aan TUI (terug) te betalen kosten komt op in totaal een bedrag van € 15.172,96, terwijl in het dictum ter zake slechts is toegewezen een bedrag van € 1.703,86. Werknemer refereert zich op dit punt aan het oordeel van het hof. Het hof is van oordeel dat sprake is van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Het hof zal deze fout daarom verbeteren in de door TUI verzochte zin.

TUI betoogt voorts dat zij in eerste aanleg (onder meer) heeft gevorderd aan haar een bedrag te betalen van € 45.900 ter zake van gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:677 BW en dat zij deze vordering in het petitum van haar memorie van grieven heeft herhaald. Deze vordering is in het arrest geheel onbesproken gebleven hetgeen betekent dat over dit deel van het gevorderde niet is beslist, aldus TUI. Werknemer voert aan dat TUI geen grief heeft gericht tegen de afwijzing van de onderhavige vordering door de rechtbank, dat het grievenstelsel inhoudt dat de grieven de rechtsstrijd in hoger beroep bepalen en dat er daarom geen plaats is voor toewijzing van het verzoek tot aanvulling. Het hof overweegt dat de rechtsstrijd in hoger beroep niet alleen wordt bepaald door de formulering in hoger beroep van het over en weer gevorderde, maar tevens – daar wijst werknemer op zichzelf terecht op – door de inhoud van de grieven. Deze regel brengt in dit geval evenwel niet zonder meer mee dat er geen plaats is voor toewijzing van het verzoek tot aanvulling. Het hof komt in zijn arrest tot het oordeel dat wel sprake was van een dringende reden voor het ontslag op staande voet en verbindt daaraan de conclusie dat het bestreden vonnis (deels) dient te worden vernietigd en dat de door werknemer gevorderde verklaring voor recht en de door hem gevorderde gefixeerde schadevergoeding alsnog dienen te worden afgewezen. Het hof had aan dit oordeel echter tevens de conclusie moeten verbinden dat de door TUI gevorderde gefixeerde schadevergoeding alsnog dient te worden toegewezen nu werknemer ten aanzien daarvan alleen heeft aangevoerd dat hij TUI geen dringende reden heeft gegeven die het ontslag op staande voet rechtvaardigde. De grieven van TUI betreffen immers de aanwezigheid van een dringende reden, zijnde tevens de – volgens de rechtbank ontbrekende maar door het hof wel aanwezig geachte – grondslag van deze vordering. Een en ander betekent dat het hof niet heeft beslist op dit onderdeel van de vordering en dat dit kan worden aangemerkt als een verzuim dat dient te worden aangevuld. Het hof beslist dat de gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen als door TUI gevorderd.