Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag, 2 december 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:3989
Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek c.s./BAM Geleiderails BV en Cordares Diensten BV
(Na verwijzing van AR 2011-0429.) Het centrale geschilpunt tussen partijen is of Geleiderail valt onder de werkingssfeer van de (in de stukken nader aangeduide) bedrijfstakregelingen van de bedrijfstak Bouw (standpunt Geleiderail en Bouwdiensten) of van de bedrijfstak Metaal en Techniek (standpunt van Metaalfondsen c.s.). De Hoge Raad heeft bij arrest van 27 mei 2011 onder meer overwogen dat het oordeel van het hof dat Geleiderail onder de werking van de bouw-cao valt, niet in stand kan blijven. Omtrent de inhoud van het geschil heeft de Hoge Raad overwogen dat ook ondernemingen waarvan het bedrijf is gericht op het uitvoeren van werken met betrekking tot stalen voorwerpen, ingevolge het bepaalde in artikel 2 lid 4 van de bouw-cao, van de werkingssfeer van die cao zijn uitgesloten. Het bedrijf van Geleiderail – waarbij wordt uitgegaan van de eigenschappen die het bedrijf in de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2012 had – was naar het oordeel van het hof vooral gericht op het uitvoeren van werken met betrekking tot stalen voorwerpen. Uit hetgeen is gesteld en gebleken en tijdens het voorlopig getuigenverhoor is verklaard, moet worden afgeleid dat de hoofdactiviteit van Geleiderail was gericht op het aanbrengen van geleiderails, zijnde constructies die vrijwel altijd grotendeels uit stalen onderdelen bestaan. Vaststaat voorts dat binnen het bedrijf van Geleiderail het uitvoeren van de bedoelde werken met betrekking tot stalen voorwerpen, ook wat personeelsinzet betreft (aantal werknemers en arbeidsuren), de hoofdmoot van de werkzaamheden van Geleiderail vormde. Dat Geleiderail deel uitmaakte van een groter verband van ondernemingen met een ruimere doelstelling (wegenbouw) doet aan het voorafgaande niet af, aangezien het betrokken personeel in dienst was van Geleiderail, zijnde een in juridisch opzicht zelfstandige onderneming, en uit hetgeen is gesteld of gebleken niet voortvloeit dat voor de bepaling van de werkingssfeer van de betrokken bedrijfstakregelingen, de vennootschappen waaruit (de desbetreffende tak van) het BAM-concern bestaat als een geheel moet worden aangemerkt. Geleiderail was derhalve van de werkingssfeer van de bouw-cao uitgesloten. Geleiderail betoogt dat de hiervoor besproken uitsluiting van de bouw-cao niet impliceert dat zij ook van de werkingssfeer van de andere bedrijfstakregelingen (de Hoge Raad gebruikt in zijn arrest de term Bedrijfstak Regelingen voor cao en pensioenregelingen, r.o. 3.1), in het bijzonder die van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid, is uitgezonderd. Dit betoog faalt reeds op de grond dat de toepasselijkheid van die andere bedrijfstakregelingen niet los kan worden gezien en anders beoordeeld dan hetgeen omtrent de werkingssfeer uit de cao’s voortvloeit. Het is duidelijk niet de bedoeling van het complex van regelingen dat werknemers onder de cao van de ene bedrijfstak en onder pensioenregelingen van een andere bedrijfstak vallen. Dit is een objectief kenbaar gezichtspunt dat bij de uitleg van de bedrijfstakregelingen en de van toepassing zijnde besluiten van de ministeriële besluiten van belang is. De bewoordingen van de regelingen voeren niet tot een andere conclusie. Geleiderail was derhalve van de werkingssfeer van alle in deze zaak van belang zijnde bedrijfstakregelingen van de bedrijfstak bouw uitgesloten.
De door Metaalfondsen c.s. aan dit deel van hun vordering ten grondslag gelegde stelling dat Geleiderail een betalingsverplichting jegens hen heeft over de periode die is gelegen vóór dit arrest, vindt, zoals Geleiderail heeft betoogd (schriftelijk pleidooi onder 84 e.v.), geen steun in het recht. Het gaat immers om betalingsverplichtingen waarvan de wederprestatie van de Metaalfondsen, in het bijzonder het pensioenfonds en het VUT-fonds, naar de aard van die verplichtingen niet meer – althans niet zonder aanzienlijke nadelige gevolgen – met terugwerkende kracht jegens de betrokken werknemers kunnen worden nagekomen. Daarbij is in aanmerking genomen dat het niet de bedoeling van de bedrijfstakregelingen is dat de werknemers in dezelfde periode voor hetzelfde werk bij twee pensioenfondsen zijn aangesloten. Er is onvoldoende reden om de nadelige gevolgen van het met terugwerkende kracht van pensioenregeling en -fonds wisselen te aanvaarden. Betaling door Geleiderail van de werkgeverslasten aan Metaalfondsen c.s. zonder dat daarvoor aldus door laatstgenoemden nog de normale wederprestatie kan worden geleverd, zou een ongerechtvaardigd voordeel voor Metaalfondsen c.s. en schade voor Geleiderail impliceren, hetgeen ongerechtvaardigd is nu het om de gevolgen van een geschil over de afbakening van de werkingssferen van de twee betrokken bedrijfstakregelingen gaat, waarbij Geleiderail, gesteund door Bouwdiensten, een blijkens het bestreden vonnis, het arrest van het Hof Amsterdam en de A-G bij de Hoge Raad alleszins pleitbaar standpunt heeft ingenomen. Het kan zo zijn dat Geleiderail onder omstandigheden bepaalde gevolgen heeft te aanvaarden van haar stellingname en de daarbij behorende – inmiddels gerealiseerde – mogelijkheid dat zij de zaak wat betreft het centrale geschilpunt uiteindelijk zou kunnen verliezen, doch dat risico omvat blijkens hetgeen hiervoor is overwogen niet dat zij de werkgeverslasten alsnog over de aangeduide periode vóór dit arrest dient te betalen. Illustratief is in dit verband dat bij wijziging van de verplichtstelling tot deelneming aan bedrijfspensioenfondsen, de betrokken minister het uitgangspunt noemt van de Commissie Werkingssfeer, inhoudende dat vanwege de aard van de onderhavige arbeidsvoorwaarde stabiliteit van essentieel belang is. (Bijvoorbeeld de bijlage bij het besluit van 1 januari 2014, Stcrt. 2013, nr. 32183). De vordering tot nakoming met ten opzichte van dit arrest terugwerkende kracht, komt derhalve vanwege de aard van de verplichting niet voor toewijzing in aanmerking (art. 3:296 BW), althans is de gevorderde toepassing van de regels waarop Metaalfondsen c.s. zich beroepen onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 en 6:248 BW).