Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 3 februari 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:322
werknemer/X Woningbureau en Assurantiekantoor B.V.
Werknemer (geboren 1945) is sinds 1965 in dienst van (de rechtsvoorganger van) X Woningbureau en Assurantiekantoor B.V. Deze onderneming was in handen van zijn broer. Op enig moment heeft zijn broer een hersenbloeding gehad, waarna werknemer het feitelijke bestuur op zich heeft genomen. Nadat zijn broer op 84-jarige leeftijd is overleden, is de dochter van zijn broer aangetreden als bestuurder. Werknemer is per 4 april 2012 op non-actief gesteld. Tussen werknemer en de erven van zijn broer was ondertussen een moeizame discussie en onderhandeling gestart over de aandelen van zijn broer. X Woningbureau en Assurantiekantoor B.V. heeft met toetstemming van UWV in 2012 getracht werknemer te ontslaan wegens bedrijfssluiting. Deze opzegging heeft werknemer met een beroep op artikel 7:670 BW vernietigd. Op 3 september 2012 heeft de dochter de administratie opgevraagd die over verschillende dataschijven en ruimtes verspreid was. Toen zij op 6 september 2012 opnieuw langskwam waren alle ruimtes ontruimd en data verdwenen. Werknemer is toen op staande voet ontslagen. De arbeidsovereenkomst is voorwaardelijk ontbonden onder toekenning van een vergoeding van € 325.000.
Het hof oordeelt als volgt. Tegen de achtergrond van de gebrouilleerde verhoudingen, waarbij bedacht dient te worden dat tevens sprake is van familieverhoudingen, en daarbij mede betrekkend dat werknemer zich tot dat moment had gedragen als ware hij bestuurder van werkgever, acht het hof het niet in strijd met het beginsel van goed werkgeverschap om werknemer op non-actief te stellen, nu dit met behoud van loon gebeurde. Dat daarvoor geen reden werd gegeven, doet daaraan – gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval – niet af. Hoezeer het hof de actie van werknemer om het kantoor van X Woningbureau en Assurantiekantoor geheel of gedeeltelijk te ontruimen (wat wel en wat niet is verwijderd acht het hof niet relevant), kwalijk en ongepast acht – zelfs indien er veronderstellenderwijs van uit zou worden gegaan dat werknemer de overeenkomst van bruikleen met betrekking tot het meubilair op 17 april 2012 had opgezegd, zoals hij heeft aangevoerd –, rechtvaardigt dat naar het oordeel van het hof geen ontslag op staande voet. Tegen de achtergrond van de gebrouilleerde (familie)verhoudingen had X Woningbureau en Assurantiekantoor dienen te begrijpen dat het om een onbezonnen daad van werknemer ging (ook in reactie op de op-non-actiefstelling). Een ontslag op staande voet is een uiterst middel en niet valt in te zien waarom het niet mogelijk was om werknemer eerst te sommeren om het nog niet verstrekte deel van de administratie (bijv. binnen 24 uur) alsnog ter beschikking te stellen en de ontruiming terug te draaien. Gelet op de hiervoor geschetste voorgeschiedenis en (familie)omstandigheden, heeft werknemer terecht aangevoerd dat X Woningbureau en Assurantiekantoor eerst nog die gelegenheid aan werknemer had dienen te geven onder dreiging van een ontslag op staande voet.
Nu de opzegging plaatsvond wegens het sluiten van de onderneming, brengt artikel 7:670b BW met zich dat het opzegverbod niet geldt en de opzegging per 1 november 2012 rechtsgeldig is. Deze opzegging acht het hof evenwel kennelijk onredelijk, daar voor werknemer geen enkele voorziening is getroffen en kennelijk wel de bedoeling is geweest dat werknemer het ‘going concern’ van werkgever zou overnemen (als pensioen). Nu de schade niet kan worden begroot, zal het hof overgaan tot een schatting en deze vaststellen op € 75.000, zijnde ongeveer tweeënhalf jaarsalaris, als genoegdoening (in de woorden van de wetgever: ‘als pleister op de wonde’, vgl. Kamerstukken II 1951/52, 881, 6, p. 30).