Naar boven ↑

Rechtspraak

The Royal Bar/werkneemster
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 14 oktober 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:4324

The Royal Bar/werkneemster

Situatieve arbeidsongeschiktheid. Werkgever heeft zich te weinig en vooral niet tijdig ingespannen in contact te treden met werkneemster om spanningen te bespreken.

Werkneemster is in de periode van 1 september 2011 tot 1 maart 2012 in dienst geweest bij werkgever in de functie van barmedewerkster in diens café genaamd ‘The Royal Bar’. Werkneemster heeft zich op 19 december 2011 ziek gemeld. Op 16 januari 2012 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat er geen medische beperkingen aan het verricht van werk zitten, maar wel een afkoelingsperiode voorgesteld. Werkneemster heeft op 25 januari 2012 aangifte bij de politie gedaan tegen werkgever wegens aanranding. De officier van justitie heeft de aangifte geseponeerd. Werkneemster heeft doorbetaling van loon gevorderd. De kantonrechter heeft deze loonvordering toegewezen.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof is van oordeel dat, wat er zij van de stellingen van werkneemster omtrent gestelde aanranding van haar door werkgever en van haar aangifte ter zake, op grond van de bevindingen van de bedrijfsarts in elk geval voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van verstoorde verhoudingen tussen partijen en overleg tussen partijen nodig was alvorens werkneemster met succes haar werkzaamheden als barmedewerkster in ‘The Royal Bar’ zou kunnen hervatten. Het hof is bovendien van oordeel dat werkgever – op wiens weg als werkgever dit had gelegen, ook reeds voordat de bedrijfsarts zijn probleemanalyse en advies gaf – zich onvoldoende, en met name ook onvoldoende tijdig, heeft ingespannen om tot een gesprek met werkneemster te komen over hun verstoorde verhouding teneinde de ontstane problemen (te trachten) op te lossen. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat werkneemster geen of onvoldoende medewerking heeft verleend aan inspanningen die erop gericht waren de oorzaken van de verstoorde verhouding met werkgever weg te nemen. Wel volgt uit al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, dat in de periode van 19 december 2011 tot 1 februari 2012 de arbeidsomstandigheden voor werkneemster zodanig waren dat, met het oog op de (dreiging van) psychische of lichamelijke klachten volgend uit de verstoorde verhouding tussen partijen zonder uitzicht op normalisering daarvan, van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat zij haar werkzaamheden zou verrichten en dat zij – zoals artikel 7:628 lid 1 BW het formuleert – de overeengekomen arbeid derhalve niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen, zodat zij haar recht op loon over die periode heeft behouden.