Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 18 maart 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:1752
Rimec Limited/Stichting Technisch Bureau voor de Bouwnijverheid c.s.
Rimec Ltd, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap, Rimec Works-Empresa de Trabalho Sociedade Unipessoal Lda (hierna: Rimec Works) en Rimec-Empresa de Trabalho Temporário Sociedade Unipessoal Lda (hierna: Rimec Empresa), beide gevestigd te Portugal, zijn internationale uitzendbureaus. TBB is een stichting die is opgericht door werknemers- en werkgeversorganisaties in de bouwsector, partijen bij de CAO Bouwnijverheid, daaronder FNV en Bouwend Nederland. TBB is – onder meer – opgericht om toe te zien op een correcte naleving van de CAO Bouwnijverheid. Rimec Ltd heeft op 24 mei 2012 een dienstverleningsovereenkomst gesloten op grond waarvan zij zich verplicht om arbeidskrachten, zoals gespecialiseerde timmerlieden, tunnelbouwers, voormannen en hulppersoneel, voor de bouw van de Koning Willem-Alexandertunnel in de snelweg A2 (hierna: het A2-project) ter beschikking te stellen aan X. Rimec Ltd heeft Poolse en Engelse werknemers, en Rimec Works en Rimec Empresa hebben Portugese werknemers in dienst, die door Rimec Ltd aan X ter beschikking zijn gesteld om bouwwerkzaamheden te verrichten in het kader van het A2-project. In december 2013 ging het om 70 werknemers met de Poolse nationaliteit en om 42 werknemers met de Portugese nationaliteit. Partijen hebben diverse vorderingen ingesteld. Centrale vraag is of de (algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de) CAO Bouwnijverheid voor deze buitenlandse werknemers van toepassing is.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het verzoek van SNCU om in de hoofdzaak als tussenkomende partij te worden toegelaten, wordt toegewezen. Een deel van de provisionele vorderingen houdt verband met, en loopt vooruit op, het kerngeschil in het hoofdgeding, waarin partijen twisten over de vraag of Rimec Ltd jegens de door haar aan het A2-project ter beschikking gestelde arbeidskrachten de CAO Bouwnijverheid dient na te leven. Niet in geschil is dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Anders dan in het kort geding dat bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 11 december 2013 (zie AR 2013-0997) heeft geleid tot de opheffing van het door TBB gelegde beslag, verschillen partijen in dit geding van mening over het antwoord op de vraag welk recht moet worden toegepast. Nu het in de kern gaat om de bepaling van de rechten en verplichtingen die uit de individuele arbeidsovereenkomsten van de betrokken werknemers voortvloeien, moet de vraag naar het toepasselijke recht worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 8 (jo. artikel 3 en artikel 9) Rome I. Het eerste lid van dat artikel 8 bepaalt dat een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen overeenkomstig artikel 3 Rome I hebben gekozen. Partijen verschillen van mening over de vraag of in de litigieuze arbeidsovereenkomsten een rechtskeuze is gemaakt. Voorshands neemt de kantonrechter aan dat dit het geval is en dat voor Portugees of Engels recht, althans een ander dan Nederlands recht, is gekozen. De gemaakte rechtskeuze mag er ingevolge de tweede volzin van artikel 8 lid 1 Rome I niet toe leiden dat de werknemer ‘de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken’ op grond van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig de leden 2 tot en met 4 van artikel 8 Rome I toepasselijk zou zijn geweest. Tussen partijen is in geschil of Portugees althans Engels recht of dat Nederlands recht moet worden aangemerkt als ‘het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht’, als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 Rome I. Het wordt ervoor gehouden dat Nederland het gewoonlijke werkland in de zin van artikel 8 lid 2 Rome I is. Nederland is immers het land ‘waar’ zij ter uitvoering van hun arbeidsovereenkomst (gewoonlijk) hun arbeid verrichten. De situatie dat moet worden teruggevallen op het land ‘van waaruit’ zij ter uitvoering van hun arbeidsovereenkomst gewoonlijk hun arbeid verrichten, doet zich hier niet voor, omdat de overeengekomen werkzaamheden uitsluitend in Nederland plaatsvinden.
Tot deze – drie kwart dwingende – bepalingen van Nederlands recht, waarvan de werknemer door een keuze voor ander recht niet de bescherming mag verliezen, behoort naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter het bepaalde in artikel 8 lid 1 Waadi, dat ter beschikking gestelde arbeidskrachten het recht verleent op ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke gelden voor werknemers, werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt, met betrekking tot het loon en overige vergoedingen en – op grond van een cao die van kracht is binnen de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt – met betrekking tot de arbeids- en rusttijden, arbeid in nachtdienst, pauzes, de duur van vakantie en het werken op feestdagen. Het standpunt van Rimec Ltd dat artikel 8 Waadi niet van toepassing is, omdat X zelf geen werknemers in dienst heeft wordt niet gevolgd. Het in het eerste lid van artikel 8 Waadi gebruikte begrip ‘onderneming’ heeft ingevolge artikel 1 lid 1 onder d Waadi namelijk dezelfde betekenis als die waarin de Wet op de ondernemingsraden (WOR) datzelfde begrip hanteert. De arbeidskrachten die door Rimec Ltd ter beschikking zijn gesteld voor het A2-project van X moeten voorshands geacht worden recht te hebben op ten minste de in artikel 8 lid 1 Waadi genoemde arbeidsvoorwaarden die gelden voor de door Ballast Nedam en/of Strukton bij het A2-project ingezette werknemers. In dit stadium van het geding is voldoende aannemelijk dat de CAO Bouwnijverheid voor de werknemers die de vennoten van X voor het A2-project hebben ingezet en inzetten ‘gelden’ (en hebben gegolden) in de zin van artikel 8 lid 1 Waadi, óók buiten de AVV-periodes en óók vanaf 1 januari 2015. Voorshands moet het er daarom voor worden gehouden dat ook de door Rimec Ltd voor het A2-project ter beschikking gestelde arbeidskrachten (ten minste) recht hebben op de in die cao geregelde arbeidsvoorwaarden die betrekking hebben op (onder meer) het loon, overige vergoedingen en vakantie. De verplichting om deze arbeidsvoorwaarden jegens de voor het A2-project ter beschikking gestelde werknemers van Rimec Ltd, Rimec Works en Rimec Empresa toe te passen rust op Rimec Ltd, zijnde de vennootschap die zich tegenover X heeft verplicht arbeidskrachten voor de bouw van de tunnel onder de A2 bij Maastricht ter beschikking te stellen. De zaak in de hoofdprocedure wordt verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling.