Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 28 mei 2015
ECLI:NL:RBOBR:2015:3873
Federatie Nederlandse Vakbeweging c.s./Nederlandse Radiateuren Fabriek B.V.
Achttien werknemers, naast FNV eisers in deze procedure, zijn in dienst van de Nederlandse Radiateuren Fabriek (hierna: NRF). In de individuele arbeidsovereenkomsten van de werknemers is bepaald dat de pensioenpremie geheel voor rekening van de vennootschap komt. Op 5 december 2013 hebben NRF en de ondernemingsraad van NRF een principeakkoord gesloten met betrekking tot het versoberen van de arbeidsvoorwaarden, waaronder het wijzigen van de premievrije deelname aan het pensioen. De meerderheid van de werknemers heeft ingestemd met het akkoord. Per 1 januari 2014 heeft NRF een eigen bijdrage in de pensioenpremie ingevoerd. De pensioenpremie komt 50 procent voor rekening van werkgever en 50 procent voor rekening van de werknemer. Voor medewerkers die vóór 1 januari 2009 in dienst zijn getreden en tot januari 2014 een premievrij pensioen kenden, komt per juli 2017 66,66 procent van de pensioenpremie voor rekening werkgever en 33,33 procent voor rekening van werknemer. Centrale vraag is of NRF de wijziging van de verdeling van de pensioenpremie eenzijdig heeft mogen doorvoeren.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Van een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW is geen sprake. NRF toetst de door haar gewenste wijziging aan de criteria zoals door de Hoge Raad geformuleerd in het Stoof/Mammoet-arrest (HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847). Geoordeeld wordt dat NRF voldoende onderbouwd heeft dat er voor haar aanleiding is om de onderhavige wijziging voor te stellen. Die aanleiding is gelegen in een noodzakelijke verlaging van de productiekosten. Van een redelijk voorstel is echter geen sprake. In dit verband moet als eerste worden vastgesteld dat, anders dan NRF van mening is, in het onderhavige geval sprake is van een wijziging van een primaire arbeidsvoorwaarde. De gevraagde bijdrage in de pensioenpremie brengt immers een verlaging van het nettoloon met zich. Deze verlaging bedraagt kennelijk, afhankelijk van de hoogte van het loon, 3,5 procent tot 6 procent. Het gaat aldus om een substantiële verlaging. Van betekenis is voorts dat de fabrieken van NRF te Mill kennelijk verliesgevend zijn, maar dat niet is gesteld of gebleken dat, zonder de onderhavige wijziging van de arbeidsvoorwaarden, sluiting ervan onafwendbaar is dan wel een faillissement van de onderneming onafwendbaar is. Integendeel, NRF maakt blijkens de overgelegde gedeponeerde jaarrekeningen ieder jaar een behoorlijke winst. De onderhavige wijziging van de arbeidsvoorwaarden is derhalve bepaald nog geen ultimum remedium. Voor recht wordt verklaard dat NRF niet gerechtigd is om per 1 januari 2014 een werknemersbijdrage in de kosten van de pensioenpremie in te voeren.