Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 8 december 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:5158
Coöperatieve Rabobank X/werknemer
Werknemer is in 2006 in dienst getreden van de Rabobank locatie A als ‘Specialist Verzekeren B’. In zijn arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen. Per 1 september 2011 is werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Rabobank locatie B in de functie van ‘Specialist Verzekeren Acquisitie’. Op deze overeenkomst is eveneens een concurrentiebeding van toepassing. Door een fusie tussen locatie A en B is op 1 december 2014 Rabobank locatie C ontstaan. Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst op 18 november opgezegd tegen 1 januari 2015. Kern van het geschil is de vraag of het werknemer vrijstaat contact te onderhouden met klanten van de voormalige Rabobank B. Volgens Rabobank is dat niet toegestaan, omdat het concurrentie- en relatiebeding dat werknemer met de voormalige Rabobank had, van rechtswege is overgegaan op de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en Rabobank. Werknemer betwist niet dat door de fusie sprake is van een overgang van de onderneming in de zin van artikel 7:662 BW, waardoor zijn verplichtingen uit zijn arbeidsovereenkomst met Rabobank ex artikel 7:663 BW van rechtswege zijn overgegaan op zijn arbeidsovereenkomst met Rabobank. Volgens werknemer zijn deze bedingen - zo deze nog van kracht of van toepassing zouden zijn, hetgeen volgens hem niet het geval is - echter zwaarder gaan drukken, zodat deze bedingen volgens vaste rechtspraak opnieuw overeengekomen hadden moeten worden. Door de fusie zijn deze bedingen immers verruimd, namelijk zowel wat betreft regio als wat betreft klanten. Vóór de fusie zagen deze bedingen immers slechts op klanten en de regio van de voormalige Rabobank B, terwijl na de fusie ook de regio en de klanten van de voormalige Rabobank A onder de reikwijdte van het concurrentie- en het relatiebeding vallen.
Het hof oordeelt als volgt. Het gaat in dit geval niet om de vraag of de onderhavige bedingen als gevolg van een functiewijziging zwaarder zijn gaan drukken, maar om het probleem dat de onderhavige bedingen een ruimer bereik hebben gekregen als gevolg van de fusie. Om die reden dient (met name) onderzocht te worden of de verruiming van de onderhavige bedingen ertoe leidt dat deze aanmerkelijk zwaarder zijn gaan drukken. Rabobank heeft gesteld dat het ten tijde van het sluiten van de onderhavige bedingen al voorzienbaar was dat de voormalige Rabobank A en de voormalige Rabobank B op termijn zouden gaan fuseren. Werknemer heeft dat niet betwist. Evenmin heeft werknemer betwist dat deze banken al voor de fusie op diverse gebieden met elkaar samenwerkten. Weliswaar heeft werknemer terecht aangevoerd dat een aanzienlijke uitbreiding van het aantal relaties tot een aanmerkelijke verzwaring van de bedingen kan leiden, maar hij heeft niets aangevoerd over het aantal relaties van de voormalige Rabobank B en evenmin heeft hij iets aangevoerd over de omvang van de regio van die bank. Werknemer heeft slechts gesteld dat hij toen hij bij de voormalige Rabobank B werkte, ongeveer 160 klanten bediende waarvan er thans twee zaken doen met Aon. Dit aantal zegt onvoldoende, omdat werknemer geen inzicht heeft gegeven in het totale aantal klanten van de voormalige Rabobank B en/of het aantal klanten waarbij werknemer in de periode 1 januari 2013 tot 1 januari 2015 betrokken was. Evenmin heeft werknemer iets aangevoerd over het marktaandeel van Aon in de regio die voorheen onder Rabobank B viel. Ook ontbreekt een toelichting op de vraag hoe belangrijk deze twee klanten zijn voor Rabobank en voor Aon. Overigens zijn deze twee klanten kennelijk na tussenkomst van werknemer overgestapt naar Aon. Voorts is van belang dat werknemer niet heeft aangevoerd dat het hem moeite heeft gekost ander werk te vinden. Dat is kennelijk niet het geval geweest, nu hij aansluitend aan het eind van zijn dienstverband bij Rabobank bij Aon is gaan werken. Werknemer heeft helemaal niets aangevoerd over hoe lang en hoe vaak hij heeft gesolliciteerd alvorens hij bij Aon in dienst kon treden en of de onderhavige bedingen daarin een rol hebben gespeeld. Werknemer heeft onweersproken gelaten dat hij bij Aon de mogelijkheid heeft om de gehele Nederlandse verzekeringsmarkt te bedienen. Werknemer heeft niet gesteld dat of waarom juist de regio van Rabobank en/of de klanten van Rabobank voor hem van belang zijn. Zoals hiervoor al is overwogen, dient het hof ook de belangen van partijen af te wegen. Weliswaar zijn het concurrentie- en relatiebeding op korte termijn (per 1 januari 2016) ‘uitgewerkt’, zodat Rabobank op dit moment nog slechts korte tijd belang heeft bij toewijzing van haar vorderingen, maar dat betekent niet dat Rabobank geen belang meer heeft bij dit hoger beroep. Ook in een relatief korte periode kan Rabobank schade lijden van het benaderen van haar klanten door werknemer. Wat dat betreft heeft Rabobank onbetwist gesteld dat werknemer toegang heeft gehad tot essentiële klantinformatie, waardoor hij een ongerechtvaardigde voorsprong heeft in het werven van klanten. Ook heeft Rabobank onbetwist gesteld dat 95% van haar klanten in haar regio gevestigd zijn. Zoals hiervoor al is overwogen heeft werknemer - in het licht van de onbetwiste stelling van Rabobank dat hij bij Aon voor de gehele Nederlandse markt werkzaam kan zijn - daar niet tegenover gesteld dat of waarom juist de klanten en/of regio van Rabobank voor hem van belang zijn, althans zo belangrijk dat het belang van Rabobank daarvoor moet wijken. De omstandigheid dat - indien juist - Rabobank bij het overleg over de indiensttreding van werknemer bij Aon niet uitdrukkelijk heeft gewezen op de beperking naar regio en clientèle, legt onvoldoende gewicht in de schaal. Zoals hiervoor al is overwogen, lag het op de weg van werknemer om zich ervan te vergewissen dat en in hoeverre hij niet zou worden gehouden aan hetgeen hij met Rabobank is overeengekomen. De omstandigheid dat werknemer zijn arbeidsovereenkomst reeds had opgezegd voor de fusie, acht het hof wel van belang, maar onvoldoende om nu tot een ander oordeel te komen, gelet op de zwaarwegende belangen van Rabobank tegenover het beperkte belang van werknemer. Dat belang van werknemer heeft immers geen betrekking op een beperking om een andere werkkring te aanvaarden, maar slechts om een beperking om zich niet in de regio van Rabobank te begeven en zich op diens klanten te richten. Daarbij weegt het hof mee dat in een bodemprocedure wellicht nog aan de orde dient te komen of los van de onderhavige bedingen sprake is van onrechtmatige concurrentie zoals Rabobank in eerste aanleg heeft aangevoerd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, valt voorshands niet in te zien waarom het beroep van Rabobank op de onderhavige bedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.