Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 14 januari 2016
ECLI:NL:RBAMS:2016:152
X/PostNL Pakketten Benelux B.V.
PostNL maakt voor de pakketverzorging gedeeltelijk gebruik van de diensten van zelfstandige pakketbezorgers (hierna: subcontractors). PostNL heeft daartoe met deze subcontractors overeenkomsten gesloten. X drijft sinds 1 januari 2012 een eenmanszaak. Op 22 mei 2012 heeft X een Vervoersovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten met PostNL. PostNL heeft de overeenkomst met X op 8 september 2015 opgezegd. Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of X werkzaam is op basis van een overeenkomst van opdracht (standpunt PostNL) of op basis van een arbeidsovereenkomst (standpunt X). PostNL verzoekt (incidenteel verzoek, voorwaardelijk) ex artikel 843a Rv afgifte van de winst-en-verliesrekeningen van X, of een jaarrekening of jaarstukken, waaruit de financiële en juridische verplichtingen blijken van X over - kort gezegd - zijn ondernemerschap voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van de overeenkomst en de wijze waarop X met vervanging is omgegaan.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het verzoek van PostNL ex artikel 843a RV wordt niet-ontvankelijk verklaard. Hoewel het verzoek in iedere stand van het geding kan worden gedaan, vervalt de mogelijkheid op het moment dat de zaak in staat van wijzen verkeert (vgl. Kamerstukken II 2011/12, 3, p. 15). PostNL heeft het verzoek ingediend na het sluiten van de mondelinge behandeling, op het moment dat nog slechts de (precieze) datum van beschikking diende te worden bepaald, welke datum afhankelijk was van de vraag of partijen alsnog - gedeeltelijk - een schikking zouden bereiken. De zaak was derhalve reeds in staat van wijzen.
Het toetsingskader wordt gevormd door artikel 7:610 BW en de inhoud die daaraan is gegeven door de Hoge Raad in (onder meer) de arresten Groen/Schoevers (NJ 1998/149), en meer recent HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019 (Logidex). De kantonrechter hanteert een holistische benadering, evenals haar collega van de Rechtbank Noord-Holland in haar uitspraken van 18 december 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015: 11226, 11230 en 11236). Zowel de overeenkomst, als de AV en de Bijlage zijn erop gericht géén arbeidsovereenkomst tot stand te laten komen. Bedacht dient daarbij te worden dat PostNL en X in maatschappelijk en economisch opzicht bepaald geen gelijkwaardige partijen zijn en dat over de inhoud van de overeenkomst en de AV - die voor alle subcontractors bijna volledig gelijkluidend zijn - niet of nauwelijks door X kon worden onderhandeld. PostNL heeft ten aanzien van vrijwel alles wat met de uitvoering van het werk samenhangt, zoals de bedrijfskleding, het schoeisel en de wijze waarop de scanner voor pakjes bevestigd dient te worden aan de broekriem, zeer gedetailleerde instructies gegeven. Hetzelfde geldt ten aanzien van de kleur en de maatvoering van de bus van X. Er zijn Werkinstructies en Huisregels van toepassing verklaard die ook gelden voor de werknemers van PostNL. X heeft anderzijds investeringsrisico’s genomen (het aanschaffen van een bus) en hij heeft van de Belastingdienst een VAR-verklaring gekregen (waarmee PostNL een ruling van de Belastingdienst heeft verkregen dat de overeenkomst niet als een arbeidsovereenkomst wordt beschouwd). X droeg gelet op de wijze van honorering (betaling per succesvolle stop) voorts ook een zeker ondernemingsrisico. Daartegenover staat echter dat de vergaande - en overigens begrijpelijke - instructies van PostNL erop gericht waren dat X louter voor PostNL pakketten bezorgde, wat ook feitelijk het geval is geweest. PostNL controleerde voorts streng op de naleving van de instructies, onder meer door het houden van zogeheten ‘straatcontroles’. PostNL bepaalt voorts feitelijk de tijdstippen waarop de werkzaamheden moeten worden verricht. Tot slot geldt dat X zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden niet structureel mocht laten vervangen. Bij dit alles weegt nog - zwaar - mee dat X zich eerst kort voor het aangaan van de vervoersovereenkomst met PostNL als zelfstandige heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. PostNL is de enige opdrachtgever van X geweest, aangezien X van maandag tot en met zaterdag werkte. En hoewel dat niet per se tot de conclusie hoeft te leiden dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, brengt het in samenhang met alle andere hiervoor genoemde omstandigheden wel mee dat - nu deze ene opdrachtgever zeer strakke kaders verstrekt waarbinnen de werkzaamheden dienen te worden verricht, terwijl vanwege de economische afhankelijkheid nauwelijks tot geen ruimte bestaat om over die kaders te onderhandelen - eerder het beeld ontstaat van een gezagsverhouding dan van zelfstandig ondernemerschap. Geoordeeld wordt dat X als werknemer van PostNL moet worden gezien. De opzegging wordt op grond van artikel 7:681 lid 1 BW vernietigd.