Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 14 januari 2016
ECLI:NL:RBAMS:2016:153
X/PostNL Pakketten Benelux B.V.
PostNL maakt voor de pakketverzorging gedeeltelijk gebruik van de diensten van zelfstandige pakketbezorgers (hierna: subcontractors). PostNL heeft daartoe met deze subcontractors overeenkomsten gesloten. X drijft sinds 23 augustus 1989 een eenmanszaak. Op 6 november 2006 heeft X een Vervoersovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten met PostNL. PostNL heeft de overeenkomst met X op 21 september 2015 opgezegd. Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of X werkzaam is op basis van een overeenkomst van opdracht (standpunt PostNL) of op basis van een arbeidsovereenkomst (standpunt X). PostNL verzoekt (incidenteel verzoek, voorwaardelijk) ex artikel 843a Rv afgifte van de winst-en-verliesrekeningen van X, of een jaarrekening of jaarstukken, waaruit de financiële en juridische verplichtingen blijken van X over - kort gezegd - zijn ondernemerschap voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van de overeenkomst en de wijze waarop X met vervanging is omgegaan.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het verzoek van PostNL ex artikel 843a RV wordt niet-ontvankelijk verklaard. Hoewel het verzoek in iedere stand van het geding kan worden gedaan, vervalt de mogelijkheid op het moment dat de zaak in staat van wijzen verkeert (vgl. Kamerstukken II 2011/12, 3, p. 15). PostNL heeft het verzoek ingediend na het sluiten van de mondelinge behandeling, op het moment dat nog slechts de (precieze) datum van beschikking diende te worden bepaald, welke datum afhankelijk was van de vraag of partijen alsnog - gedeeltelijk - een schikking zouden bereiken. De zaak was derhalve reeds in staat van wijzen.
Het toetsingskader wordt gevormd door artikel 7:610 BW en de inhoud die daaraan is gegeven door de Hoge Raad in (onder meer) de arresten Groen/Schoevers (NJ 1998/149), en meer recent HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3019 (Logidex). De kantonrechter hanteert een holistische benadering, evenals haar collega van de Rechtbank Noord-Holland in haar uitspraken van 18 december 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015: 11226, 11230 en 11236). Zowel de eerste overeenkomst, de tweede overeenkomst als de AV en de Bijlage zijn erop gericht géén arbeidsovereenkomst tot stand te laten komen. Bedacht dient daarbij te worden dat PostNL en X in maatschappelijk en economisch opzicht bepaald geen gelijkwaardige partijen zijn en dat over de inhoud van de overeenkomst en de AV - die voor alle subcontractors bijna volledig gelijkluidend zijn - niet of nauwelijks door X kon worden onderhandeld. PostNL heeft ten aanzien van vrijwel alles wat met de uitvoering van het werk samenhangt, zoals de bedrijfskleding, het schoeisel en de wijze waarop de scanner voor pakjes bevestigd dient te worden aan de broekriem, zeer gedetailleerde instructies gegeven. Hetzelfde geldt ten aanzien van de kleur en de maatvoering van de bus van X. Er zijn Werkinstructies en Huisregels van toepassing verklaard die ook gelden voor de werknemers van PostNL. X heeft anderzijds investeringsrisico’s genomen (het aanschaffen van een bus) en hij heeft van de Belastingdienst een VAR-verklaring gekregen (waarmee PostNL een ruling van de Belastingdienst heeft verkregen dat de overeenkomst niet als een arbeidsovereenkomst wordt beschouwd). X droeg gelet op de wijze van honorering (betaling per succesvolle stop) voorts ook een zeker ondernemingsrisico. Daartegenover staat echter dat de vergaande - en overigens begrijpelijke - instructies van PostNL erop gericht waren dat X louter voor PostNL pakketten bezorgde, wat ook feitelijk het geval is geweest. PostNL controleerde voorts streng op de naleving van de instructies, onder meer door het houden van zogeheten ‘straatcontroles’. PostNL bepaalt voorts feitelijk de tijdstippen waarop de werkzaamheden moeten worden verricht. Tot slot geldt dat X zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden alleen mocht laten vervangen door de vervangers die vooraf zijn goedgekeurd door PostNL. Bij dit alles weegt aan de andere kant nog - zwaar - mee dat X reeds zeer lang, namelijk sinds 1989, een onderneming in koeriersdiensten drijft, dat X zich structureel door meerdere andere vervoerders laat bijstaan en meer routes heeft dan hij zelfstandig ooit zou kunnen rijden. X heeft zich dan ook voor het overgrote deel van de routes laten vervangen; een minderheid van de routes heeft hij zelf gereden. Hij is derhalve structureel betaald voor diensten die hij niet zelf reed. Aangenomen mag worden dat, nu X bij het aangaan van de overeenkomst reeds zelfstandig ondernemer was en gelet op zijn opstelling nadien, ook hem daadwerkelijk voor ogen heeft gestaan dat hij als zelfstandige zou werken voor PostNL én dat hij de gevolgen hiervan kon overzien. Geoordeeld wordt dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, zodat de vorderingen van X worden afgewezen.