Rechtspraak
X/Y
X heeft in eerste aanleg gevorderd dat Y zal worden veroordeeld tot betaling van € 3.245,81 bruto ter zake van achterstallig loon over de maanden oktober 1997 tot en met juli 1998. Aan deze vordering heeft X ten grondslag gelegd dat hij tijdens genoemde periode bij Y werkzaam is geweest in de functie van controller voor minimaal twee en een half uur per week en dat Y over de genoemde periode zijn loon niet heeft uitbetaald. De kantonrechter heeft bij verstekvonnis van 3 september 1998 de vorderingen van X grotendeels toegewezen. Bij dagvaarding van 20 januari 2010, waarmee de thans aan de orde zijnde procedure is ingeleid, is Y in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. De kantonrechter heeft bij het eindvonnis het verstekvonnis vernietigd en de oorspronkelijke vorderingen van X afgewezen. X vordert in hoger beroep dat het hof het eindvonnis zal vernietigen, en Y tot kwaad opposante zal verklaren zodat X het verstekvonnis kan executeren.
Het hof oordeelt als volgt. Uit de verhaalsrapportage valt niet af te leiden dan Y zich heeft gedragen op een wijze waardoor X in zijn bewijsmogelijkheden is beknot. Zeker nu X - naar hij stelt - als controller voor Y werkte had van hem mogen worden verwacht dat hij ervoor zorgde dat hij een door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst ontving en loonstroken ontving en dat hij deze stukken bewaarde. Het beroep van X dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere bewijslastverdeling voortvloeit wordt dan ook verworpen. De door X gestelde feiten en omstandigheden kunnen een door hem beoogde omkering van de bewijslast niet dragen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de kantonrechter met toepassing van de hoofdregel van artikel 150 Rv X terecht heeft belast met het bewijs van zijn stelling dat hij met Y een arbeidsovereenkomst heeft gesloten en dat hij in opdracht van Y in de periode oktober 1997 tot en met juli 1998 werkzaamheden heeft verricht. Het verzoek van X om in hoger beroep verschillende personen, van wie een aantal in eerste aanleg niet als getuige was voorgebracht, te doen horen zal worden gehonoreerd, nu het desbetreffende bewijsaanbod betrekking heeft op betwiste en niet reeds bewezen geoordeelde feiten. In afwachting van de bewijslevering houdt het hof iedere verdere beslissing aan.