Naar boven ↑

Rechtspraak

opdrachtnemer/opdrachtgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 april 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:3064

opdrachtnemer/opdrachtgever

Geen arbeidsverhouding in de zin van het BBA. Werkzaamheden die werden verricht ten tijde van de overeenkomst van opdracht waren slechts van bijkomstige aard.

Partijen hebben op 1 oktober 2009 een overeenkomst van opdracht met elkaar gesloten, waarbij de opdrachtnemer diensten als bemiddeling bij het tot stand komen van verkoopcontracten van gebruikte/ingeruilde recyclingmachines van opdrachtgever aanbood. Wegens tegenvallende verkoopresultaten heeft opdrachtgever deze overeenkomst op 16 juli 2012 tegen 17 januari 2013 opgezegd. Bij brief van 14 november 2012 is namens opdrachtnemer een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging wegens het ontbreken van toestemming van UWV WERKbedrijf. In hoger beroep staat onder meer de vraag centraal of opdrachtnemer de bescherming van het BBA toekomt. De kantonrechter oordeelde van niet, omdat sprake was van drie opdrachtgevers.

Het hof oordeelt als volgt. In het kader van de vraag of sprake is van een arbeidsverhouding in de zin van het BBA, heeft het hof opdrachtnemer bij het tussenarrest van 4 augustus 2015 opgedragen om bij akte een door zijn accountant opgesteld overzicht - voorzien van onderliggende bewijsstukken - in het geding te brengen waaruit blijkt welke opdrachtgevers opdrachtnemer in het eerste halfjaar van 2012 had en welke inkomsten hij heeft verworven uit de werkzaamheden die hij in het eerste halfjaar van 2012 voor zijn verschillende opdrachtgevers heeft verricht, gespecificeerd per opdrachtgever. Het grootste gedeelte van de stukken die opdrachtnemer bij akte heeft overgelegd ziet op een andere periode - namelijk de jaren 2010 en 2011, terwijl het hof in het tussenarrest heeft geoordeeld dat het eerste halfjaar van 2012 als referteperiode moet worden genomen, zoals opdrachtnemer ook zelf heeft bepleit. Met betrekking tot het eerste halfjaar van 2012 heeft opdrachtnemer een opgestelde kolommenbalans en grootboekmutatiekaart overgelegd, alsmede facturen aan opdrachtgever, bedrijf X en bedrijf Y. Opdrachtnemer heeft bij akte aangegeven dat de vervaardigde stukken zijn gecontroleerd door een registeraccountant. Uit de brief van de registeraccountant blijkt dat hij de aangeleverde cijfers niet op juistheid en volledigheid heeft gecontroleerd. De door opdrachtnemer overgelegde financiële stukken roepen vragen op - onder meer over het aantal transacties met bedrijf X - en geven geen eenduidig beeld. Verdere duidelijkheid, bijvoorbeeld in de vorm van de jaarrekening over 2012 of de definitieve aangifte inkomstenbelasting 2012, stukken waarom opdrachtgever al ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft gevraagd, heeft opdrachtnemer niet verstrekt. De door opdrachtnemer in het geding gebrachte gegevens zijn onvolledig. Zij vormen zeker geen toereikende onderbouwing voor de stelling van opdrachtnemer dat hij in het eerste halfjaar van 2012 met zijn werkzaamheden voor opdrachtgever een bedrag van 21.505 aan provisie-inkomsten heeft gehad. Uit de overgelegde stukken valt af te leiden dat provisie-inkomsten die opdrachtnemer in het eerste halfjaar van 2012 bij opdrachtgever heeft gerealiseerd slechts een fractie bedroegen van de totale inkomsten van 29.401 die opdrachtnemer in die periode had. Deze provisie-inkomsten zijn dan ook aan te merken als inkomsten van bijkomstige aard. Daartoe wordt ook overwogen dat opdrachtnemer zich in 2012 nog nauwelijks op het bedrijf liet zien en slechts bij twee verkopen betrokken is geweest. Opdrachtnemer heeft, onder verwijzing naar een ‘overzicht offertes en rfq’, gesteld dat er in 2012 wel zestig offerte-aanvragen zijn gedaan. Niet gesteld noch gebleken is dat opdrachtnemer deze aanvragen in behandeling heeft genomen. Opdrachtnemer heeft ook geen enkel stuk (zoals bijvoorbeeld e-mail correspondentie) overgelegd waaruit dat zou kunnen blijken. Volgt bekrachtiging van het bestreden vonnis.