Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 17 maart 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:3014
werkgever/werknemer
Werknemer is op 1 januari 2009 in dienst getreden bij werkgever. Vanwege bedrijfseconomische redenen heeft werkgever begin 2015 voor onder meer werknemer een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV. Werknemer heeft zich op 16 februari 2016 ziek gemeld. Ten aanzien van werknemer heeft het UWV in haar beslissing van 31 maart 2015 erkend dat het niet onredelijk is dat de hoofdtaak van werknemer verdwijnt. Volgens het UWV is er in het geval van werknemer evenwel sprake van een dubbelfunctie omdat hij ook (20%) structureel (andere) werkzaamheden verricht. Het UWV heeft geoordeeld dat werkgever onvoldoende aannemelijk heeft weten te maken dat werknemer voor zijn volle arbeidsomvang (ook die 20%) voor ontslag in aanmerking komt. Om die reden heeft het UWV de toestemming geweigerd. Werknemer is per 31 augustus 2015 hersteld verklaard. Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. De mogelijkheid dat werknemer zijn baan zou verliezen met alle mogelijke nadelige gevolgen van dien, heeft er klaarblijkelijk toe geleid dat hij ten opzichte van zijn werkgever erg wantrouwend is geworden. Dat beeld werd bevestigd doordat werkgever in de procedure bij het UWV in de ogen van werknemer onvoldoende over het voetlicht had gebracht dat hij naast zijn hoofdtaak als analist fytoplankton ook (20%) structureel andere werkzaamheden verrichtte. Zijn grote angst voor de mogelijke nadelige gevolgen van het verlies van zijn baan en het wantrouwen richting zijn werkgever, heeft ertoe geleid dat werknemer moeilijk met de ontstane situatie heeft kunnen omgaan. De als gevolg daarvan veranderde opstelling van werknemer heeft ertoe geleid dat de arbeidsrelatie tussen partijen steeds verder onder druk is komen te staan en inmiddels ernstig verstoord is geraakt. Weliswaar staat vast dat de veranderde houding van werknemer ten opzichte van werkgever vooral het gevolg is van de emotionele toestand waarin werknemer verkeerde nadat hij met de ontslagaanzegging werd geconfronteerd, maar dat neemt niet weg dat op grond van de verstoorde arbeidsrelatie van werkgever niet gevergd kan worden om de arbeidsrelatie in stand te houden. De kantonrechter heeft weliswaar begrip voor de emotie die de UWV-procedure bij werknemer teweeg heeft gebracht, maar uit overgelegde stukken en verklaringen blijkt dat hij daarin wel erg ver is gegaan. Daarmee ligt het verzoek om de arbeidsovereenkomst op die grond te ontbinden voor inwilliging gereed. Er is geen aanleiding om aan werknemer een billijke vergoeding toe te kennen, nu er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever. In de kern maakt werknemer aan werkgever het verwijt dat werkgever het UWV op het verkeerde been heeft willen zetten door bij de ontslagaanvraag een deel van zijn functie niet te vermelden en dat werkgever na weigering van de ontslagvergunning uitsluitend heeft ingezet op beëindiging van het dienstverband. Dat dit het geval is, is niet gebleken. Dat neemt niet weg dat de mogelijkheden van werkgever – als kleine werkgever – beperkt waren nu vaststaat dat de hoofdfunctie van werknemer uit bedrijfseconomische noodzaak geheel was vervallen en de nevenwerkzaamheden van werknemer bepaald niet dagvullend waren en zonder het afspiegelingsbeginsel geweld aan te doen, intern konden worden opgevangen door het team E&N. Ook van het bewust creëren door werkgever van een onwerkbare situatie is niet gebleken. Volgt toewijzing van het ontbindingsverzoek en afwijzing van het verzoek om een billijke vergoeding toe te kennen aan werknemer.