Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 31 mei 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:2063
werkneemster/werkgeefster
Werkneemster is op 6 april 1993 bij werkgeefster in dienst getreden. In de regel werkt werkneemster van 7:00 uur tot 15:30 uur. Tijdens een op 24 maart 2014 gevoerd gesprek heeft X, hoofd Magazijn, meegedeeld dat werkgeefster heeft besloten dat de werktijden van ‘de eerste orderproductie’, waartoe werkneemster behoort, voortaan van 9:00 uur tot 17:30 uur zouden zijn. Werkneemster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met toestemming van werkgeefster is werkneemster daarna haar werkzaamheden blijven aanvangen om 7:00 uur. Bij brief van 29 september 2014 is aan werkneemster medegedeeld dat werkgeefster heeft besloten tot andere werktijden. De ondernemingsraad heeft ingestemd met de wijziging van het werkrooster. Werkneemster vordert een verklaring voor recht dat werkgeefster de belangen van werkneemster moet respecteren door haar op de arbeidstijden vastgelegd in de arbeidsovereenkomst te laten wetken, namelijk van 7:00 uur tot 15:30 uur. De kantonrechter heeft de gevorderde verklaring voor recht gegeven. Tegen dit vonnis komt werkgeefster in hoger beroep.
Het hof oordeelt als volgt. Aan de hand van de criteria van het arrest Stoof/Mammoet (ECLI:NL:HR:2008:BD1847) moet worden nagegaan of van werkneemster kan worden gevergd de door werkgeefster gewenste wijziging van de arbeidstijden tegen zich te laten gelden. Ter onderbouwing van de door haar gestelde economische noodzaak tot wijziging van de arbeidstijden heeft werkgeefster voorafgaande aan de comparitie in hoger beroep de geconsolideerde resultaten van werkgeefster met betrekking tot de jaren 2010 en 2011 en een brief van ING Bank aan deze vennootschap van 18 december 2013 in het geding gebracht. Werkgeefster heeft niet toegelicht waarom uit de geconsolideerde resultaten moet worden afgeleid dat (ook) haar onderneming al jaren verlies lijdt. Nu werkgeefster de wijziging in maart 2014 aan de orde heeft gesteld had zij in elk geval recente cijfers aangaande haar onderneming moeten overleggen, hetgeen zij heeft nagelaten. De genoemde brief van ING Bank die betrekking heeft op werkgeefster volstaat daarom ook niet. Maar ook indien van het tegendeel zou moeten worden uitgegaan geldt het volgende. Met verwijzing naar de door haar overgelegde productieplanningslijsten heeft werkneemster gesteld dat er nog steeds ook vanaf 7:00 uur voldoende werkaanbod is. In reactie hierop heeft werkgeefster erkend dat ook dan orderverzamelaars zijn ingeroosterd, waarmee zij kennelijk doelt op Poolse uitzendkrachten. De door hen gedurende de vroege uren te verrichten werkzaamheden zijn echter fysiek zwaarder. Vanwege haar lichaamsbouw kan werkneemster daarvoor niet worden ingezet, aldus werkgeefster. Naar het oordeel van het hof heeft werkgeefster onvoldoende onderbouwd dat de aard van de werkzaamheden die werkneemster naar vaststaat gedurende 21 jaar vanaf 7:00 uur heeft verricht zo drastisch is gewijzigd dat zij daartoe niet langer in staat is. Daarbij is van belang dat werkgeefster tijdens deze uren gebruik maakt van mannelijke uitzendkrachten die, als de noodzaak daartoe in een concreet geval bestaat, in beginsel een fysiek zwaardere opdracht kunnen uitvoeren. Geen van de door werkgeefster voor de wijziging van de werktijden aangevoerde gronden is dus komen vast te staan. Nu de wijziging van de arbeidsvoorwaarde in kwestie de toets aan het eerste in genoemd arrest vermelde criterium niet kan doorstaan, behoeft hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd geen bespreking. Volgt bekrachtiging van het bestreden vonnis.