Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 augustus 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:3426

werkgever/werknemer

Kennelijk onredelijk ontslag. Werkgever heeft UWV op wezenlijk punt verkeerd voorgelicht. Aannemelijk dat ontslagvergunning bij juiste voorstelling van zaken niet was verleend.

Werknemer is op 4 april 1991 bij werkgever in dienst getreden. Werkgever heeft in september 2013 aan het UWV toestemming gevraagd voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Daaraan heeft zij bedrijfseconomische redenen ten grondslag gelegd. Het UWV heeft werkgever verzocht schriftelijk op het door werknemer gevoerde verweer te reageren en in ieder geval de vraag te beantwoorden of werkgever structureel zzp’er X inhuurt voor werkzaamheden die werknemer ook uitvoert. Werkgever heeft daarop gereageerd dat inhuur van zzp’er X sinds de week van 30 juli 2013 niet meer plaatsvindt. Het UWV heeft bij beschikking van 20 januari 2014 de gevraagde ontslagvergunning verleend. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor op 27 november 2014 heeft Y onder meer verklaard dat X sinds de bouwvak 2013 tot november 2013 voor werkgever heeft gewerkt en vanaf februari 2014 tot ‘heden’, 27 november 2014 dus. Werknemer vordert werkgever te veroordelen tot betaling van € 79.432 ter zake van schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:681 BW. De kantonrechter heeft werkgever veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van € 40.000. Tegen dit vonnis komt werkgever in hoger beroep.

Het hof oordeelt als volgt. De stukkenwisseling bij het UWV heeft zich toegespitst op de persoon van X. Werkgever heeft het UWV onder meer meegedeeld dat X niet meer voor haar werkzaam was, dat zij na de bouwvakvakantie in 2013 voor de diensten van X had bedankt, dat X werkzaam was voor de Firma C en dat werknemer er waarschijnlijk op doelde dat hij X op een door werkgever van C (het hof begrijpt: met machinist en al, zijnde X) ingehuurde kraan heeft zien werken. In het kader van het voorlopig getuigenverhoor heeft Y zoals blijkt uit het genoemde proces-verbaal op 27 november 2014 het volgende verklaard. X heeft sinds de bouwvak 2013 tot november 2013 voor werkgever gewerkt en vanaf februari 2014 tot ‘heden’, 27 november 2014 dus. In 2014 factureerde X rechtstreeks aan werkgever. Dat X eerder via C factureerde had te maken met de voor zzp’ers verplichte VAR-verklaring waarbij sprake moest zijn van meerdere opdrachtgevers. X werkte op de kraan die werkgever in mei 2014 had verkocht en had teruggehuurd van E, aldus nog steeds de verklaring van Y. De verschillen tussen hetgeen werkgever tegenover het UWV aangaande de positie van X heeft aangevoerd en hetgeen haar directeur daaromtrent als getuige heeft verklaard springen in het oog. Nu X werkte op een kraan die werkgever in mei 2014 heeft verkocht kan het niet juist zijn zoals werkgever in haar brief van 5 december 2013 stelde, dat werknemer X mogelijk had zien werken op een kraan van C. Een aanwijzing daarvoor vormt ook de verklaring van Y dat de inhuur via C was ingegeven door eisen die in verband met de VAR-verklaring werden gesteld. Kennelijk bestond die noodzaak in februari 2014 al niet meer, omdat X volgens de verklaring van Y vanaf die tijd weer rechtstreeks als zzp’er voor werkgever is gaan werken, welke situatie ten tijde van het verhoor klaarblijkelijk nog ongewijzigd was. Met andere woorden, de wijze van betaling van X door werkgever mag dan tijdelijk zijn gewijzigd, de werksituatie bleef dezelfde. Bij het verlenen van de ontslagvergunningging ging het UWV er dus ten onrechte van uit, zoals in de beschikking is vermeld, dat werkgever ‘in sommige gevallen nog een kraan met machinist van een ander bedrijf inhuurt en dat die machinist de zzp’er was die u eerder inhuurde’.Het voorgaande voert tot de slotsom dat werkgever het UWV op een wezenlijk punt verkeerd heeft voorgelicht. Het hof acht het aannemelijk dat het UWV, als zij de werkelijke situatie had gekend, de ontslagvergunning niet had verleend. Het ontslag is dus kennelijk onredelijk op de primair door werknemer aangevoerde, door de kantonrechter verworpen grond. Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd onder opgave van een valse reden. Werkgever heeft geen grief gericht tegen de hoogte van de door de kantonrechter toegekende vergoeding. Ook overigens heeft werkgever niets aangevoerd dat het hof noopt tot het toekennen van een lager bedrag. Volgt bekrachtiging van het bestreden vonnis.