Rechtspraak
SOOB/X
Centraal staat de vraag of X op grond van het vanaf 1 januari 2013 geldende werkingssfeerartikel onder de werking van de zogeheten SOOB-cao viel en of de wijzigingen van de tekst van dit artikel per 1 januari 2013 van betekenis zijn voor de uitleg van de oudere tekst. Bij tussenarrest (zie AR 2015-1284) zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten. SOOB stelt in haar akte dat X ook op grond van de in 2013 geldende tekst van het werkingssfeerartikel onder de werking van de SOOB-cao valt. X stelt zich in haar antwoordakte op het standpunt dat zij in 2013 – net als daarvoor – niet onder de werkingssfeer van de SOOB-cao viel.
Het hof overweegt het volgende. Partijen verschillen slechts van mening over de vraag of een van de uitzonderingen van lid B onder 1 (oude tekst) respectievelijk lid 2 onder a (nieuwe tekst) van het werkingssfeerartikel van de SOOB-cao van toepassing is. Vast is komen te staan dat 76% van de door X verrichte werkzaamheden valt onder de definities gegeven in lid 2 van het werkingssfeerartikel van de OOMT-cao (52% verlening van pechhulp en 24% bergingswerkzaamheden). Aldus staat vast dat X onder de OOMT-cao valt. Het hof zal thans beoordelen of X (tevens) onder de SOOB-cao valt. Bij deze beoordeling dient tot uitgangspunt dat X verplicht is een eigen bedrijfstak-cao toe te passen. Zij valt immers onder de werkingssfeer van de OOMT-cao terwijl deze in de in dit geding relevante periode algemeen verbindend is verklaard. In zoverre is voldaan aan de uitzonderingsvoorwaarde in de respectieve teksten van de werkingssfeerbepaling van de SOOB-cao. Tussen partijen is niet in geschil, zo begrijpt het hof, dat is voldaan aan de aanvullende voorwaarde zoals geformuleerd achter het eerste gedachtestreepje in de tweede alinea van lid 2 onderdeel a van het werkingssfeerartikel van de SOOB-cao geldend in 2013. Achter het tweede gedachtestreepje aldaar is nog als aanvullende voorwaarde gesteld dat de hoofdactiviteit van de onderneming een andere is dan beroepsgoederenvervoer over de weg, logistieke dienstverlening of de verhuur van mobiele kranen. Het hof is van oordeel dat aan deze aanvullende voorwaarde is voldaan omdat in dit geval sprake is van een andere hoofdactiviteit dan de aldaar genoemde activiteiten. Het merendeel van de werkzaamheden van X, 52%, bestaat uit pechhulp. Een en ander betekent dat de hoofdactiviteit van X bestaat uit pechhulp en/of het bergen van voertuigen en dus uit andere activiteiten dan beroepsgoederenvervoer over de weg, logistieke dienstverlening en/of de verhuur van mobiele kranen. Aan een en ander doet niet af dat X krachtens de Wet wegvervoer goederen (mede) vergunningplichtig vervoer verricht. Dat maakt immers nog niet dat de hoofdactiviteit van X bestaat uit beroepsgoederenvervoer over de weg. Het komt erop neer dat het geheel van feiten maakt dat het niet in de rede ligt om te oordelen dat de hoofdactiviteit van X bestaat uit beroepsgoederenvervoer over de weg. Bij dit oordeel is van betekenis dat aannemelijk is dat beide cao’s aldus zijn geformuleerd dat een overlapping in de werkingssfeer zo veel mogelijk wordt voorkomen. Dit heeft tot gevolg dat, voor zover de SOOB-cao bepaalt dat deze niet van toepassing is in het geval dat de onderneming een eigen bedrijfstak-cao dient toe te passen, en daaraan nog aanvullende voorwaarden stelt, deze aanvullende voorwaarden restrictief dienen te worden geïnterpreteerd hetgeen het hof in het voorgaande heeft gedaan. Een en ander leidt tot de conclusie dat X niet onder de werkingssfeer van de SOOB-cao valt zoals deze met ingang van 1 januari 2013 luidt. De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.