Naar boven ↑

Rechtspraak

SNCU vordert nabetaling van materiële benadeling en betaling van schadevergoedingen van drie bedrijven op grond van niet-naleving van cao’s voor uitzendkrachten en stelt tevens de bestuurder van de bedrijven aansprakelijk. Partijen kunnen zich uitlaten over benoeming deskundige.

Vanaf het najaar 2005 vindt in de uitzendbranche controle plaats op de naleving van de CAO voor Uitzendkrachten door de Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten (SNCU). Bedrijf 1 – inmiddels in staat van faillissement verkerend – dreef een onderneming die werkneemsters ter beschikking stelde aan derden om onder leiding en toezicht van deze derden arbeid te verrichten en viel gezien haar activiteiten onder de werking van de CAO voor Uitzendkrachten. SNCU heeft vanaf oktober 2014 onderzoek gedaan naar bedrijf 1, in verband met een gegrond vermoeden van niet-naleving van de toepasselijke cao’s. De onafhankelijke controle-instelling Providius heeft tijdens de controle cao-overtredingen geconstateerd, resulterend in een materiële schadelast van € 704.216. Bedrijf 1 heeft de materiële schadelast niet betaald en heeft geen herstel doorgevoerd. Bestuurder X van bedrijf 1 is in het verleden eveneens (indirect) bestuurder geweest van andere uitzendbureaus waarnaar de SNCU een cao-onderzoek is gestart, te weten bedrijf X en bedrijf Y. Ook bij deze bedrijven zijn cao-overtredingen zijn gesignaleerd, resulterend in een materiële schadelast. SNCU vordert onder meer bedrijf 1, bedrijf X en bedrijf Y te veroordelen tot naleving van de CAO voor de Uitzendkrachten en de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche, nabetaling van de materiële benadeling en betaling van schadevergoedingen. SNCU meent daarnaast dat bestuurder X (mede)aansprakelijk is voor de schade en niet-naleving van de cao’s, op basis van artikel 6:162 BW, omdat de voormalig ondernemingen bedrijf X en Y, onder behoud van hun identiteit, (gezamenlijk) zijn overgegaan naar bedrijf 1.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Bedrijf 1 is bij vonnis van 5 juli 2015 in staat van faillissement verklaard. Gelet op artikel 29 van de Faillissementswet is de procedure ten aanzien van bedrijf 1 van rechtswege geschorst. SNCU kan de vordering ter verificatie indienden bij de curator. De bevoegdheid van de kantonrechter met betrekking tot de uitvoering van de cao vloeit voort uit artikel 93 onderdeel c Rv. De bevoegdheid van SNCU vloeit voort uit het stelsel van de algemeen verbindend verklaarde cao’s. Voor wat betreft de vordering op grond van bestuurdersaansprakelijkheid is de kantonrechter van oordeel dat SNCU ontvankelijk is in haar vordering. Terecht stelt SNCU zich op het standpunt dat waar zij bevoegd is de bedrijven te kunnen aanspreken op het naleven van de toepasselijke cao’s, niet valt in te zien waarom zij niet tevens bevoegd zou zijn de bestuurders van die vennootschappen aan te spreken. Daarbij heeft SNCU gesteld dat zij haar vordering niet baseert op de overgang van onderneming van bedrijf X en Y naar bedrijf 1, maar op een onrechtmatige daad van bestuurder X jegens SNCU. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (1) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (2) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. SNCU beroept zich op de tweede grond. Gelet op het voorgaande spitst de zaak zich toe op de periode vanaf het moment waarop bedrijf X en Y voor het eerst door SNCU zijn aangeschreven en zij bekend raakten met (de mogelijkheid van) een vordering van SNCU en dat was reeds in december 2013. Dat bestuurder X zelf ervan overtuigd was dat de cao was nageleefd, doet hieraan niet af. Voor wat betreft de vraag of het niet voldoen van de vorderingen van bedrijf 1, bedrijf X en bedrijf Y door bestuurder X betalingsonwil of betalingsonmacht is, kan van bestuurder X worden gevergd dat hij ter onderbouwing van zijn verweer (art. 149 Rv) nadere financiële stukken levert. SNCU dient te bepalen of zij de voorkeur geeft aan een benoeming van een onafhankelijke deskundige voor het opstellen van een deskundigenrapportage over de stukken. De kantonrechter bepaalt dat de zaak tegen bestuurder X inzake de bestuurdersaansprakelijkheid later op de rolzitting zal komen voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage. De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.