Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 27 oktober 2016
ECLI:NL:RBOBR:2016:7517
werkgever/werknemer
Bij tussenbeschikking is werkgever in de gelegenheid gesteld bewijs te brengen ten aanzien van de stellingen dat (1) werknemer de gedragscode heeft overtreden, (2) door zijn (pest)gedrag collega’s arbeidsongeschikt zijn geworden, (3) collega’s niet (meer) met hem willen/kunnen samenwerken, (4) werknemer na de mediation weer teruggevallen is in zijn oude pestgedrag, (5) in 2014 bij een teamoverleg sprake was van gezagsondermijnend gedrag van werknemer en (6) het gedrag van werknemer zich kenmerkt door het negeren van collega’s gedurende langere periodes, in overlegsituaties roepen dat sommige collega’s misschien maar beter een andere baan kunnen gaan zoeken, een ongeïnteresseerde houding in menig overleg en het niet willen samenwerken met collega’s. Werkgever heeft in het kader van het ingestelde ontbindingsverzoek getuigen doen horen en naar voren gebracht.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van de getuigenverhoren is niet komen vast te staan dat werknemer verwijtbaar heeft gehandeld. Voor zover werknemer ongewenst gedrag heeft vertoond is hij daarop onvoldoende gewezen. De keer dat hem wel duidelijk te verstaan is gegeven dat een collega moeite had met zijn manier van communiceren heeft hij zich ontvankelijk opgesteld en zijn gedrag veranderd. Waar gesteld wordt dat hij weer is teruggevallen in zijn oude gedrag verklaart de betreffende getuige dat het andersoortig gedrag betrof. In een gesprek in 2015 waarin kritiek is geuit op zijn functioneren zou werknemer gezegd hebben dat hij het niet bewust heeft gedaan. Van bewust verwijtbaar gedrag is niet gebleken en evenmin van onverbeterlijk gedrag. Dat laatste is niet kunnen blijken aangezien werknemer niet dan wel onvoldoende geconfronteerd is met de verwijten en zelfs verwijten zijn ontkend die hem nu wel voor de voeten worden geworpen. Het beroep op de e-grond van artikel 7:669 lid 3 BW faalt.
Ten aanzien van de verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) dient in het verlengde daarvan geoordeeld te worden dat er nog mogelijkheden gezien moeten worden ter verbetering van de verhoudingen. Dit geldt ten aanzien van de leidinggevende aangezien deze niet alle tot haar beschikking staande maatregelen heeft ingezet/uitgeput. De mogelijkheden van coaching en mediation zijn onaangeroerd gebleven. Ten aanzien van een drietal collega’s zijn er uitspraken gedaan die erop wijzen dat samenwerking met werknemer problematisch zal zijn. Er dient echter in zekere mate een objectieve toets aangelegd te worden ten aanzien van de ernst en mate van verstoordheid en in het kader van deze procedure is onvoldoende naar voren gekomen dat werknemer als enige verantwoordelijk is voor het ongenoegen dat is ondervonden. De situatie is onvoldoende uitgefilterd om de verstoring aan werknemer toe te kunnen schrijven. Voorts is door de werkgever onvoldoende in het werk gesteld om aan die verstoring een halt toe te roepen althans die in te kaderen. Het beroep op de g-grond faalt eveneens. Er zijn evenmin andere omstandigheden in de zin van artikel 7:669 lid 3 onderdeel h BW aan te wijzen die kunnen rechtvaardigen dat tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden overgegaan. Dat werknemer geen ander passend werk heeft willen accepteren kan hem niet tegengeworpen worden nu hij zich terecht heeft verzet tegen de op non-actiefstelling en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Volgt afwijzing van het ontbindingsverzoek. Het zelfstandig tegenverzoek van werknemer tot wedertewerkstelling komt voor toewijzing in aanmerking.