Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Infácy B.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 31 januari 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:260

werknemer/Infácy B.V.

Door na eindigen dienstverband elf keer het relatiebeding te schenden is in beginsel een boete van € 27.500 verbeurd. Boete gematigd tot € 20.000, onder meer vanwege wanverhouding tussen de boete en het door werknemer uit de ‘verboden’ werkzaamheden genoten inkomen.

Feiten

Werknemer is in juli 2002 in dienst getreden bij Infácy B.V. (hierna: Infácy) in de functie van trainer/adviseur. In de arbeidsovereenkomst zijn een relatiebeding, een geheimhoudingsbeding en een ontwikkelbeding opgenomen. De arbeidsovereenkomst is na daartoe verkregen toestemming van het UWV door Infácy opgezegd per 1 juni 2009. Infácy heeft in eerste aanleg onder meer gevorderd werknemer te veroordelen tot betaling van € 67.500 wegens verbeurde boetes op grond het relatiebeding, € 25.000 wegens verbeurde boetes op grond van het geheimhoudingsbeding en € 7500 wegens verbeurde boetes op grond van het ontwikkelbeding. De kantonrechter heeft werknemer veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 35.000 aan boetes. Werknemer voert in hoger beroep onder meer aan dat de verbeurde boetes dienen te worden gematigd.

Oordeel

Het hof is van oordeel dat werknemer, door na het eindigen van zijn dienstverband bij Infácy werkzaamheden te verrichten voor (de ondernemingsraden van) meerdere instanties, elf maal het relatiebeding heeft geschonden en daarmee in beginsel een boete van € 27.500 heeft verbeurd. Werknemer heeft aangevoerd dat de boetes, voor zover vastgesteld, dienen te worden gematigd. Hij voert aan dat ieder aan Infácy toe te kennen bedrag disproportioneel is en voert hiervoor onder meer de volgende omstandigheden aan: (1) hij is ontslagen zonder dat hem een verwijt treft, hij was ten tijde van het ontslag bijna 62 jaar, is na zijn ontslag nooit meer serieus aan de slag gekomen en heeft nooit meer hogere inkomsten gehad dan het uitkeringsniveau van de WW; (2) het salarisniveau van werknemer was al aan de lage kant en is nooit verhoogd, terwijl overuren die veel gemaakt werden, niet werden uitbetaald; (3) werknemer was een ervaren trainer die zijn werk altijd met hart en ziel gedaan heeft; (4) hij heeft geen relaties van Infácy zelf benaderd en heeft steeds het idee gehad dat hij zich moest houden aan een concurrentiebeding; (5) Infácy heeft de boetes laten oplopen terwijl ze al in 2009 wist van de overtreding van het relatiebeding door werknemer maar hem pas april 2014 heeft gesommeerd. Het is aannemelijk dat Infácy als gevolg van de overtreding van het concurrentiebeding ten minste enige schade heeft geleden. Indien werknemer de werkzaamheden niet had verricht, hadden deze werkzaamheden ten behoeve van Infácy kunnen worden uitgevoerd. Het staat echter niet vast welke omzet Infácy had kunnen maken indien zij wel (alle) werkzaamheden had kunnen verrichten. Verder is van belang dat Infácy werknemer reeds bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst had laten weten hem aan zijn concurrentiebeding te houden. Hier tegenover staat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op initiatief van Infácy is geëindigd, zonder dat een ontslagvergoeding aan werknemer werd betaald. Uit de door werknemer overgelegde bankafschriften en jaaropgaven is niet komen vast te staan dat hij ter zake van de verrichte werkzaamheden een hoger bedrag heeft ontvangen dan € 9511,08. Het hof acht niet uitgesloten dat werknemer meer dan genoemde inkomsten in verband met de ‘verboden’ werkzaamheden heeft ontvangen. Ook acht het hof van belang dat Infácy de procedure eerst in 2014 aanhangig heeft gemaakt, nu werknemer stelt en het ook aannemelijk is dat hij, als Infácy hem eerder zou hebben gesommeerd de verboden werkzaamheden te verrichten of te continueren, hiermee eerder was gestopt. Bij veroordeling tot onverkorte betaling van de verbeurde boetes zou ook een wanverhouding ontstaan tussen het daarmee gemoeide bedrag en het door werknemer uit de ‘verboden’ werkzaamheden genoten inkomen. Alle hiervoor vermelde omstandigheden in aanmerking nemend matigt het hof de door werknemer verbeurde boete tot een bedrag van € 20.000.