Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 31 januari 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:262
werknemer/Infácy B.V.
Feiten
Werknemer is in augustus 2002 in dienst getreden bij Infácy B.V. (hierna: Infácy) in de functie van trainer/adviseur. In de arbeidsovereenkomst zijn een relatiebeding en een geheimhoudingsbeding opgenomen. De arbeidsovereenkomst is na daartoe verkregen toestemming van het UWV door Infácy opgezegd per 1 mei 2009. Infácy heeft in eerste aanleg onder meer gevorderd werknemer te veroordelen tot betaling van € 65.000 wegens verbeurde boetes op grond van het relatiebeding en € 10.000 wegens verbeurde boetes op grond van het geheimhoudingsbeding. De kantonrechter heeft werknemer veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 62.000 aan boetes. Werknemer voert in hoger beroep onder meer aan dat de verbeurde boetes dienen te worden gematigd, vanwege een aantal omstandigheden. Die omstandigheden zijn: (1) werknemer is ontslagen zonder dat hem een verwijt treft; (2) hij heeft geen relatie van Infácy zelf benaderd; (3) Infácy heeft de boetes laten oplopen terwijl ze al eerder wist van de overtreding van het relatiebeding door werknemer; (4) Infácy heeft de door haar gestelde omzetdaling (van € 56.878,95) niet aangetoond; (5) de hoogte van de door Infácy gevorderde boetes is buitenproportioneel.
Oordeel
Het hof is van oordeel dat werknemer, door na het eindigen van zijn dienstverband bij Infácy werkzaamheden te verrichten voor een andere instantie, op 23 dagen het relatiebeding heeft geschonden en daarmee in beginsel 23 maal € 2500 aan boetes verschuldigd is. Werknemer voert aan dat zulks een buitenproportioneel bedrag is en dat dit bedrag gematigd dient te worden. Het is aannemelijk dat Infácy als gevolg van de overtreding van het concurrentiebeding ten minste enige schade heeft geleden. Indien werknemer de werkzaamheden niet had verricht, hadden deze werkzaamheden ten behoeve van Infácy kunnen worden uitgevoerd. Verder is van belang dat Infácy werknemer reeds bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst had laten weten hem aan zijn concurrentiebeding te houden. Hier tegenover staat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op initiatief van Infácy is geëindigd, zonder dat een ontslagvergoeding aan werknemer werd betaald. Ook acht het hof van belang dat Infácy de procedure eerst in 2014 aanhangig heeft gemaakt, nu werknemer stelt en het ook aannemelijk is dat hij, als Infácy hem eerder zou hebben gesommeerd de verboden werkzaamheden te verrichten of te continueren, hiermee eerder was gestopt. Bij veroordeling tot onverkorte betaling van de verbeurde boetes zou ook een wanverhouding ontstaan tussen het daarmee gemoeide bedrag en het door werknemer uit de ‘verboden’ werkzaamheden genoten inkomen. Alle hiervoor vermelde omstandigheden in aanmerking nemend matigt het hof de door werknemer verbeurde boete tot een bedrag van € 25.000.