Rechtspraak
werkgever/werknemer
Feiten
Werknemer is op 1 april 2016 in dienst getreden bij de Stichting. De Stichting is op 25 november 2014 opgericht en is een stichting die personeelsleden in dienst neemt ter ondersteuning van de Tweede Kamerfractie van fractie X. Op 1 juli 2016 is die arbeidsovereenkomst voor de duur van 8,5 maanden, tot aan de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017, verlengd. De laatste functie die werknemer vervulde is die van communicatieadviseur. Naast voornoemde arbeidsovereenkomst is werknemer op basis van een vergelijkbare arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij de Politieke Beweging DENK, hierna Denk, als campagneleider. Op 14 december 2016 is de Vereniging Artikel 1 opgericht. Op 24 december 2016 heeft werknemer per e-mail zijn dienstverband bij Denk en Stichting X beëindigd. A heeft zich verkiesbaar gesteld voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer voor Artikel 1 en was lijsttrekker voor die partij voor de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017. Werknemer stond op nummer zes van de kandidatenlijst. De Stichting verzoekt voor recht te verklaren dat werknemer de arbeidsovereenkomst met de Stichting in strijd met de geldende opzegtermijn heeft opgezegd en werknemer te veroordelen aan de Stichting wegens de onregelmatige opzegging een vergoeding te betalen van € 1942,65.
Oordeel
Naar het oordeel van de kantonrechter is de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig. Daarvoor geldt allereerst dat van overeenstemming tussen partijen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zoals door werknemer is aangevoerd, niet is gebleken. Verder heeft werknemer bij zijn opzegging van de arbeidsovereenkomst geen termijn in acht genomen overeenkomstig artikel 4.4 van de arbeidsovereenkomst in combinatie met artikel 7:672 lid 4 BW. Voor zover door werknemer als verweer is aangevoerd dat hij niet schadeplichtig is jegens de Stichting omdat hij de facto sedert 28 november 2016 al op non-actief was gesteld en hij in december 2016 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor de Stichting, wordt dit verweer niet gevolgd. De Stichting heeft bestreden dat van een dergelijke op non-actiefstelling sprake is geweest en werknemer heeft zijn verweer op dit punt onvoldoende onderbouwd en heeft nagelaten concreet bewijs aan te bieden. Daarbij geldt overigens ook nog dat zelfs indien de op non-actiefstelling komt vast te staan, deze de opzegging in de e-mail van 24 december 2016 nog niet rechtsgeldig maakt. De verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen. Tegen het vermeerderde verzoek van de Stichting tot terugbetaling van het te veel betaalde salaris over december 2016 heeft werknemer geen inhoudelijk verweer gevoerd, zodat dit deel van de vordering toewijsbaar is.