Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 24 april 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:2611
Politieke Beweging DENK/werknemer
Feiten
De Stichting is op 25 november 2014 opgericht en is een stichting die personeelsleden in dienst neemt ter ondersteuning van de Tweede Kamerfractie van fractie X. De vereniging Politieke Beweging DENK (hierna: de Vereniging) is op 13 mei 2015 opgericht. Werknemer is op 1 januari 2016 in dienst getreden bij de Vereniging. Op 1 juli 2016 is die arbeidsovereenkomst voor de duur van 8,5 maanden, tot aan de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017, verlengd. De laatste functie die werknemer vervulde is die van campagneleider. Naast voornoemde arbeidsovereenkomst is werknemer op basis van een vergelijkbare arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij de Stichting als communicatieadviseur. Op 14 december 2016 is de Vereniging Artikel 1 opgericht. Op 24 december 2016 heeft werknemer per e-mail zijn dienstverband bij Denk en fractie X beëindigd. A heeft zich verkiesbaar gesteld voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer voor Artikel 1 en was lijsttrekker voor die partij voor de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017. Werknemer stond op nummer zes van de kandidatenlijst. De Vereniging verzoekt voor recht te verklaren dat werknemer de arbeidsovereenkomst in strijd met de geldende opzegtermijn heeft opgezegd en verzoekt werknemer te veroordelen een vergoeding te betalen van € 1941,65. Daarnaast verzoekt de Vereniging voor recht te verklaren dat werknemer het geheimhoudingsbeding uit zijn arbeidsovereenkomst heeft geschonden en dat werknemer niet als goed werknemer heeft gehandeld en hem te gebieden de ledenlijst te retourneren op verbeurte van een dwangsom. Ten slotte verzoekt de Vereniging dat werknemer wordt verboden zich negatief of onheus uit te laten over de Vereniging.
Oordeel
Onregelmatige opzegging
Naar het oordeel van de kantonrechter is de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig. Daarvoor geldt allereerst dat van overeenstemming tussen partijen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zoals door werknemer is aangevoerd, niet is gebleken. Verder heeft werknemer bij zijn opzegging van de arbeidsovereenkomst geen termijn in acht genomen overeenkomstig artikel 4.4 van de arbeidsovereenkomst in combinatie met artikel 7:672 lid 4 BW. Voor zover door werknemer als verweer is aangevoerd dat hij niet schadeplichtig is jegens de Stichting omdat hij de facto sedert 28 november 2016 al op non-actief was gesteld en hij in december 2016 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor de Stichting, wordt dit verweer niet gevolgd. De Stichting heeft bestreden dat van een dergelijke op non-actiefstelling sprake is geweest en werknemer heeft zijn verweer op dit punt onvoldoende onderbouwd en heeft nagelaten concreet bewijs aan te bieden. Daarbij geldt overigens ook nog dat zelfs indien de op non-actiefstelling komt vast te staan, deze de opzegging in de e-mail van 24 december 2016 nog niet rechtsgeldig maakt. De verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen. Tegen het vermeerderde verzoek van de Stichting tot terugbetaling van het te veel betaalde salaris over december 2016 heeft werknemer geen inhoudelijk verweer gevoerd, zodat dit deel van de vordering toewijsbaar is.
Geen schending geheimhoudingsbeding
De verzoeken van de Vereniging die gebaseerd zijn op overtreding van het geheimhoudingsbeding zijn niet toewijsbaar. Daarbij verdient allereerst aantekening dat het beding zoals dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen bijzonder vaag is geformuleerd. Het verbod om ‘mededelingen te doen van of aangaande bijzonderheden betreffende de stichting van de werkgever of daarmee verband houdende’, biedt voor de werknemer weinig houvast. In de door de Stichting vermelde uitlatingen van werknemer waarin hij het geheimhoudingsbeding zou hebben overtreden, leest de kantonrechter een dergelijke overtreding bovendien niet. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het hier gaat om een voormalig werknemer die als kandidaat op de lijst staat voor de verkiezingen van de Tweede Kamer en die zich volledig in het politieke en daarmee publieke debat begeeft. Kritische opmerkingen en oordelen over Denk zijn in dat verband dan ook niet zonder meer als een overtreding van dit geheimhoudingsbeding te beschouwen. Het staat werknemer immers vrij, ook als ex-werknemer, zich kritisch uit te laten over de politiek van Denk, zeker tegen de achtergrond van zijn eigen gewenste politieke carrière bij Artikel 1 en de in de Grondwet verankerde vrijheid van meningsuiting.
Geen strijd met goed werknemerschap
Voor zover de Vereniging nog heeft gesteld dat werknemer zich niet als goed werknemer heeft gedragen, wordt deze stelling verworpen. Dat werknemer, die in de periode van verkiezingstijd ervoor kiest om de Vereniging te verlaten en een eigen partij begint, vervolgens media-aandacht genereert is onontkoombaar en kan werknemer niet worden verweten. Dat werknemer daarbij rekening heeft te houden met de belangen van de Vereniging als zijn werkgever is evident, maar dat werknemer daarbij de grenzen is overgegaan, komt uit de door de Vereniging gepresenteerde feiten en omstandigheden niet naar voren. Met betrekking tot de ledenlijst heeft werknemer ontkend dat hij deze in bezit heeft. Tegen die achtergrond is, nu geen feiten of omstandigheden zijn aangedragen die onderbouwen dat werknemer deze wel in zijn bezit heeft, het verzoek tot afgifte van de ledenlijst niet toewijsbaar. Voor het opleggen van een verbod om zich negatief of onheus uit te laten is geen grond.