Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 2 mei 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:1874
Silo-Tank/10 Hongaarse werknemers
Feiten
(Hoger beroep van AR 2015-0023.) Tien Hongaarse werknemers zijn werkzaam als internationaal vrachtwagenchauffeur. Van den Bosch BV oefent een transportonderneming uit. Van den Bosch BV en Silo-Tank Kft zijn zusterondernemingen. Zij behoren tot hetzelfde concern. Van den Bosch BV is lid van de Vereniging Goederenvervoer Nederland. Goederenvervoer Nederland heeft met FNV een cao Goederenvervoer afgesloten, laatstelijk per 1 januari 2012 (hierna: cao GN). De cao GN is algemeen verbindend verklaard. De cao GN heeft een looptijd tot en met 31 december 2013. Daarnaast is de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en verhuur mobiele kranen (hierna: cao Beroepsgoederenvervoer) met ingang van 31 januari 2013 tot en met 31 december 2013 algemeen verbindend verklaard. De werknemers hebben een schriftelijke arbeidsovereenkomst met Silo-Tank Kft gesloten. Zij ontvangen loon naar Hongaars recht. De Nederlandse basisarbeidsvoorwaarden zoals neergelegd in de cao Beroepsgoederenvervoer noch de financiële arbeidsvoorwaarden in het Nederlands arbeidsrecht worden op de werknemers toegepast. De werknemers vorderen primair voor recht te verklaren dat Van den Bosch BV als werkgever heeft te gelden en dat het door Van den Bosch BV gegeven ontslag nietig is. Voorts vorderen zij betaling van achterstallig loon van Van den Bosch BV en subsidiair van Silo-Tank. Zij stellen dat de werknemers feitelijk al hun opdrachten van Van den Bosch BV hebben ontvangen. Ook hebben zij nagenoeg al hun werkzaamheden in en vanuit Nederland en ten behoeve van Van den Bosch BV verricht. Volgens de werknemers zijn zij slechts op papier in dienst (geweest) van Silo-Tank Kft en hebben zij recht op het Nederlandse loon. De werknemers leggen aan hun vorderingen tegen Silo-Tank Kft ten grondslag dat Silo-Tank Kft gehouden is om op grond van artikel 6 EVO dan wel artikel 8 Rome I Nederlandse basisarbeidsvoorwaarden toe te passen en aldus Nederlands loon aan de werknemers te betalen, nu zij met name als chauffeurs op ritten in, vanuit en naar Nederland werken. Nederland is aldus het land alwaar zij gewoonlijk hun werk verrichten. Silo-tank stelt zich op het standpunt dat Hongaars recht van toepassing is.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Toepasselijk recht: Hongarije
Van een rechtskeuze als bedoeld in artikel 3 Rome I/EVO is het hof niet gebleken. Hoewel Silo-Tank stelt dat in de arbeidsovereenkomsten is gestipuleerd dat Hongaars recht op de betreffende arbeidsovereenkomst van toepassing is, heeft zij ter zitting in hoger beroep verklaard dat partijen geen uitdrukkelijke rechtskeuze hebben gemaakt voor Hongaars recht, maar wel dat een verwijzing is gemaakt naar dwingende bepalingen in het Hongaars recht. Dit is echter door werknemers betwist. Nu de betreffende arbeidsovereenkomsten niet zijn overgelegd en evenmin duidelijk is gewezen op de inhoud van de betreffende bepalingen, acht het hof de stellingen van Silo-Tank op dit punt onvoldoende onderbouwd en gaat het hof ervan uit dat partijen geen rechtskeuze als bedoeld in artikel 3 Rome I/EVO hebben gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat ingevolge artikel 6 lid 2 EVO/artikel 8 lid 2 Rome I de overeenkomst beheerst wordt door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het hof verwijst voor de uitleg van deze collisiebepalingen naar de uitspraak van het HvJ EU van 15 maart 2011 in de zaak Koelzsch tegen het Groothertogdom Luxemburg, C-29/10, NJ 2011/246, ECLI:EU:C:2011:151, welke uitspraak ziet op de uitleg van artikel 6 lid 2 EVO maar evenzeer – mutatis mutandis – geldt voor artikel 8 lid 2 Rome I. Het Hof van Justitie bepaalde dat om het land vast te stellen waar de werknemer gewoonlijk werkt, gekeken moet worden naar het land van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, waar de werknemer zijn instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert en naar het land waar zich de ‘arbeidsinstrumenten’ (in het geval van vervoer over de weg, heeft dit betrekking op de vrachtwagens) bevinden. Als het land van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht en waar hij de instructies voor zijn opdrachten ontvangt dezelfde is, is dat het land waar de werknemer ‘gewoonlijk werkt’. Daarbij acht het Hof van Justitie het van belang dat de werknemer in dát land zijn economische en sociale functie uitoefent en dat zijn arbeid ook in die staat de invloed van het politieke en het bedrijfsklimaat ondergaat, zodat de eerbiediging van de in het recht van dat land geldende voorschriften ter bescherming van de arbeid zo veel mogelijk moeten worden gewaarborgd. Toegepast op deze zaak merkt het Hof Hongarije aan als het gewoonlijk werkland (in ieder geval het land waarmee de overeenkomsten tussen Silo en werknemers het nauwst verbonden zijn als bedoeld in art. 6 lid 2 slotzin EVO althans art. 8 lid 4 Rome I, als nader geduid in HvJ 12 september 2013, C-64/12 inzake Schlecker tegen Boedeker, ECLI:EU:C:2013:551) van werknemers. Daartoe acht het hof het volgende redengevend. Silo-Tank is een in Hongarije gevestigde transportonderneming die transporten verzorgt, en onweersproken niet enkel voor Van den Bosch. Werknemers, allen Hongaren, hebben een arbeidsovereenkomst gesloten met Silo-Tank. Zij wonen in Hongarije, zijn aldaar sociaal verzekerd en aldaar belastingplichtig. Werknemers hebben onvoldoende gemotiveerd bestreden dat zij regelmatig na transporten terugkeerden naar Hongarije en van daaruit weer tewerk werden gesteld. Vanaf het moment van vertrek vanuit hun woonplaats in Hongarije naar de opstapplaats ontvingen zij loon. Voorts staat vast dat de door Silo-Tank in opdracht van Van den Bosch gereden internationale ritten, waarop werknemers werden ingezet, voor slechts een zeer beperkt deel in tijd en in kilometrage in Nederland werden uitgevoerd. In het licht van het vorenstaande legt de omstandigheid dat de betreffende internationale ritten als zodanig in de relevante periode werden uitgevoerd vanuit Veghel en aldaar weer eindigden en dat wellicht ook instructies werden gegeven vanuit Van den Bosch onvoldoende gewicht in de schaal om aan te knopen bij Nederland als het gewoonlijk werkland in de zin van artikel 6 EVO respectievelijk artikel 8 Rome I. Voor zover de vorderingen van werknemers gebaseerd zijn op de stelling dat Nederlands arbeidsrecht rechtstreeks van toepassing is omdat Nederland het gewoonlijk werkland is, zijn zij niet toewijsbaar.
Waga niet van toepassing
Vervolgens komt de vraag aan de orde of werknemers tijdelijk werkzaamheden in Nederland verrichten als bedoeld in artikel 1 van de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid (Waga), welke wet is bedoeld ter uitvoering van de Detacheringsrichtlijn en op dit specifieke punt ter uitvoering van ‘op het grondgebied ter beschikking stellen’ als bedoeld in artikel 1 Detacheringsrichtlijn. Aan het vereiste van artikel 1 Waga dat de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door een ander recht dan Nederlands recht is gezien het voorgaande op zich voldaan. Vervolgens rijst de vraag of ‘op het grondgebied van een Lidstaat (ter beschikking stellen)’ als bedoeld in artikelen 1 lid 1 en lid 3 van de Detacheringsrichtlijn (nagenoeg) letterlijk moet worden genomen of ook omvat ‘op of vanaf het grondgebied van een lidstaat’, waarbij vervolgens (klaarblijkelijk) niet relevant is in welke lidstaat of lidstaten de betrokken chauffeur in het kader van de charter successievelijk zijn werkzaamheden daadwerkelijk verricht. Diverse arresten en documenten geven het hof in dat een ruime uitleg van ‘op het grondgebied’ naar (onder meer) ‘vanaf het grondgebied van één specifieke lidstaat voor diensten in alle overige lidstaten van de Unie’ geen recht doet aan de bedoeling van de Detacheringsrichtlijn om tegenover de vrijheid van diensten binnen de Europese Unie ook recht te doen aan de belangen van de binnenlandse arbeidsmarkt van de respectieve lidstaat van ontvangst van de aan de orde zijnde dienst. Welke arbeidsmarkt zou dat overigens in de beoogde ruime uitleg zijn? Die van de lidstaat van de (toevallige) opdrachtgever van de charter? Het land waar het meest wordt gereden in het kader van internationaal chartervervoer tijdens alle aan de orde zijnde ritten? Het land waar wordt geladen en/of gelost of het meest wordt geladen en/of gelost of aan het begin en aan het einde van de werkperiode van de respectief ter beschikking gestelde werknemer wordt geladen of gelost?