Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 27 juni 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:2565
werknemer/GCA Events B.V.
Feiten
Werknemer is met ingang van 10 februari 2016 voor de bepaalde tijd van zeven maanden als accountmanager in dienst getreden bij GCA. De arbeidsovereenkomst is met ingang van 10 september 2016 geëindigd. Werknemer is naar aanleiding van een ziekmelding opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 25 maart 2016, maar is hier niet verschenen. Eerst op 31 maart 2016 is werknemer bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat werknemer diverse klachten heeft, ook van spanning rond de werksituatie, en werknemer is doorverwezen voor behandeling. GCA heeft eind april 2016 een bedrag van € 1123,54 netto aan loon tot en met 15 maart 2016 uitbetaald. Werknemer vordert onder meer betaling van achterstallig loon over de periode 15 maart 2016–10 september 2016 onder overlegging van een bruto/netto-specificatie. De vorderingen zijn door de kantonrechter afgewezen. Tegen dit oordeel richten zich de grieven van werknemer.
Oordeel
Loonvordering
Uit de door partijen nog genomen aktes volgt dat GCA haar verweer dat werknemer zich op 14 maart 2016 niet heeft ziek gemeld en op of na die datum ook niet arbeidsongeschikt was, niet langer handhaaft nadat het haar – naar zij stelt eind januari 2017 – duidelijk was geworden dat de verzekeringsarts werknemer alsnog met terugwerkende kracht vanaf 14 maart 2016 op medische gronden arbeidsongeschikt achtte en dat zij het aan werknemer te betalen loon over de periode 14 maart 2016–10 september 2016 vergoed zou krijgen door het UWV omdat werknemer reeds ten tijde van het in dienst treden bij haar een WIA-uitkering ontving naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35,9 en op hem een zogenoemde no-riskpolis van toepassing was, op grond waarvan hem vanaf 14 maart 2016 een Ziektewetuitkering toekomt ter grootte van zijn salaris. GCA verzet zich daarom niet langer tegen toewijzing van de loonvordering, achterstallige vakantietoeslag en de vordering over te gaan tot een eindafrekening van het dienstverband.
Wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten
Partijen zijn verdeeld over de toewijsbaarheid van de vorderingen ter zake van wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Het hof ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. Uit de gedingstukken blijkt dat werknemer eerst bij de op 14 september 2016 (toen de arbeidsovereenkomst al was geëindigd door ommekomst van de bepaalde tijd waarvoor deze was gesloten) uitgebrachte appeldagvaarding enige medische informatie heeft overgelegd, waaruit volgt dat hij in ieder geval vanaf juni 2016 onder medische en therapeutische behandeling stond, terwijl van hem verwacht had mogen worden dat hij de bedrijfsarts vanaf het moment dat hij in zijn visie arbeidsongeschikt was van medische informatie voorzag om de bedrijfsarts en GCA in staat te stellen zich een gefundeerd oordeel te vormen over zijn arbeids(on)geschiktheid en haar daarmee samenhangende verplichting loon door te betalen. Van werknemer had ook verwacht mogen worden dat hij GCA zo al niet bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst dan toch in ieder geval toen hij in zijn visie arbeidsongeschikt werd ervan op de hoogte had gesteld dat hij een WIA-uitkering genoot en dat hij aanspraak zou kunnen maken op een Ziektewetuitkering als hij gedurende de arbeidsovereenkomst tussen partijen arbeidsongeschikt zou worden. Door de bedrijfsarts respectievelijk GCA niet voldoende te informeren heeft werknemer verwijtbaar gehandeld, hetgeen reden voor matiging van de wettelijke verhoging tot nihil is. Nu vaststaat dat het werknemer toekomende loon en vakantiegeld te laat worden/zijn betaald, is de vordering ter zake van wettelijke rente toewijsbaar. De vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten is niet toewijsbaar, nu werknemer, zoals GCA ook heeft aangevoerd, niet heeft aangetoond dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die niet vallen onder de werkzaamheden, waarop de kostenveroordeling van artikel 237 Rv betrekking heeft.