Naar boven ↑

Rechtspraak

De Olijfboom/werkneemster
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 10 maart 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:5847

De Olijfboom/werkneemster

Ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsrelatie. Het verzoek van de werkneemster om toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, nu de problemen tussen werkneemster en haar ex-partner in de privésfeer de bron vormden voor de steeds stroever wordende arbeidsrelatie tussen partijen.

Feiten

De Olijfboom is een jonge onderneming die zich bezighoudt met de verkoop van Griekse gerechten, alsmede het serveren daarvan. Werkneemster is op 1 september 2015 bij De Olijfboom in dienst getreden. Blijkens de arbeidsovereenkomst betreft het een oproepcontract en is er geen vast aantal uren overeengekomen. Van de zijde van De Olijfboom is op 8 december 2015 aan werkneemster meegedeeld dat zij werd ontslagen. Aanleiding daarvoor was de mishandeling van werkneemster door haar ex-vriend. Het ontslag is later weer ingetrokken naar aanleiding van een brief van de gemachtigde van werkneemster. Vervolgens heeft De Olijfboom aan werkneemster meegedeeld dat zij vooralsnog in de middag- en enkele avonduren zal worden inpland. Werkneemster heeft daarop te kennen gegeven dat zij vanwege haar studie niet in de middaguren ingepland kan worden. De Olijfboom verzoekt de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden op basis van de e-, g- en h-grond. Aan dit verzoek legt De Olijfboom ten grondslag dat sprake is van verwijtbaar handelen van werkneemster doordat zij niet op het werk is verschenen terwijl zij was ingeroosterd. Bovendien is de arbeidsrelatie verstoord geraakt.

Oordeel

Genoegzaam staat vast dat werkneemster, voordat zij bij De Olijfboom in dienst trad, heeft aangegeven dat zij zou kunnen werken op tijden dat zij niet naar college moest. Niettemin heeft De Olijfboom werkneemster vanaf 7 januari 2016 ingeroosterd op tijden waarvan zij wist dat werkneemster in veel gevallen door haar studie niet beschikbaar was. Dat werkneemster de overeengekomen arbeid niet heeft verricht ondanks dat zij daartoe was opgeroepen, moet dan ook worden gezien als een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van De Olijfboom behoort te komen (art. 7:628 lid 1 BW). Wel is de kantonrechter uit de standpunten van partijen en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de arbeidsverhouding tussen partijen verstoord is geraakt. Werkneemster betwist dat weliswaar en zij acht voortzetting van het dienstverband mogelijk, maar op grond van de door De Olijfboom in het geding gebrachte (schriftelijke) verklaringen van twee medewerkers en de (aanvullende) verklaringen van de op de zitting aanwezige medewerkers staat naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vast dat er binnen het team van De Olijfboom onvoldoende draagvlak aanwezig is voor samenwerking met werkneemster en dat de arbeidsrelatie zodanig verstoord is dat herstel daarvan niet tot de mogelijkheden behoort. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan werkneemster een billijke vergoeding toe te kennen, zoals zij heeft verzocht. Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting is genoegzaam gebleken dat de problemen tussen werkneemster en haar ex-partner de bron vormden voor de steeds stroever wordende arbeidsrelatie tussen partijen. De Olijfboom werd namelijk rechtstreeks geconfronteerd met genoemde problemen in de privésfeer van werkneemster. Weliswaar heeft De Olijfboom daar niet steeds goed op gereageerd (ten onrechte ontslag op staande voet en onjuiste inroostering van werkneemster), maar dat neemt niet weg dat werkneemster hoe dan ook heeft bijgedragen aan de thans ontstane situatie van een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie. Het verzoek van De Olijfboom wordt toegewezen zonder toekenning van een billijke vergoeding aan werkneemster.