Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 4 mei 2021
ECLI:NL:GHSHE:2021:1349
Feiten
In 2002 is werknemer in dienst getreden bij Intergarde. Op 2 oktober 2010 is werknemer uitgevallen met rugklachten. Na een (moeizaam) re-integratietraject heeft Intergarde op 23 mei 2013 het UWV verzocht om toestemming te verlenen om de arbeidsovereenkomst met werknemer te beëindigen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Het UWV heeft Intergarde verzocht om nadere informatie, die Intergarde per brief van 5 juni 2013 heeft verstuurd. Bij brief van 21 juni 2013 heeft de advocaat van werknemer verweer gevoerd. Bij brief van 24 juni 2013 verzoekt het UWV aan zijn afdeling SMZ om een deskundigenadvies met betrekking tot de vraag of werknemer nog altijd arbeidsongeschikt is, binnen 26 weken herstel valt te verwachten en of eventueel herplaatsing binnen 26 weken, zo nodig door middel van scholing, in een aangepaste of passende functie mogelijk is. Hierin is als conclusie aangekruist dat de arbeidsongeschiktheid blijft voortduren en dat herstel binnen 26 weken niet valt te verwachten. De keuzemogelijkheden ten aanzien van “Mogelijkheden binnen de onderneming van werkgever:” en “Herplaatsing mogelijk in de:” zijn niet ingevuld. Nadat het deskundigenadvies was toegezonden aan de advocaat van werknemer en deze daar nog op heeft gereageerd, heeft het UWV bij beslissing van 18 september 2013 de gevraagde toestemming voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst verleend. Met gebruikmaking daarvan heeft Intergarde vervolgens bij brief van 19 september 2013 de arbeidsovereenkomst opgezegd per 3 november 2013. Bij brief van 29 september 2013 aan de klachtenafdeling van het UWV heeft werknemer zich beklaagd over de werkwijze van het UWV bij de afhandeling van de ontslagprocedure. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat het UWV onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en gehouden is schadevergoeding te betalen. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Werknemer komt tegen het vonnis in hoger beroep.
Oordeel
Naar het oordeel van het hof voldoet de beslissing van het UWV op twee punten niet aan de eisen die aan de totstandkoming en inhoud daarvan mogen worden gesteld: bij de totstandkoming heeft het UWV onvoldoende onderzocht of aan de voorwaarden voor verlening van de verlangde toestemming was voldaan en in de motivering heeft het UWV nagelaten om in te gaan op een verweer dat in beginsel aan het verlenen van de verlangde toestemming in de weg kon staan. Het UWV heeft hierdoor in tweeërlei opzicht jegens werknemer onzorgvuldig gehandeld. Dat hierdoor een norm is geschonden die bedoeld was om het door het UWV te wegen belang van werknemer te beschermen wordt niet betwist. Het verweer van het UWV spitst zich toe op (het ontbreken van) causaliteit tussen de gebleken onzorgvuldigheid en de gestelde schade. Voorts betwist het UWV het bestaan van schade. Voor de beoordeling van de vraag of een causaal verband bestaat tussen de door werknemer gestelde schade en de door het UWV betrachte onzorgvuldigheid, dient als hypothetische situatie uitgegaan te worden van het geval waarin het UWV naar aanleiding van het gevoerde verweer wel zorgvuldig zou hebben gehandeld door nadere informatie in te winnen bij de arbeidsdeskundige ten aanzien van de vraag of deze bij zijn advies zou blijven, en om nader verduidelijking te verkrijgen ten aanzien van de wijze waarop het advies was ingevuld, met name voor wat betreft de conclusies ten aanzien van de voorgelegde adviesvraag. Het hof wil met partijen van gedachten wisselen over het verdere verloop van deze procedure, waartoe een comparitie zal worden bepaald.