Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 11 februari 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:126
Feiten
Twee werknemers (hierna: de vliegers) zijn in 1990 en 1991 als verkeersvlieger in dienst getreden van KLM. Zij hebben de Zwitserse nationaliteit. Omdat de vliegers in Zwitserland woonachtig en belastingplichtig waren, heeft de Belastingdienst in 1991 voor beiden een vrijstellingsverklaring afgegeven ter voorkoming van dubbele belasting. Met ingang van 1 januari 2012 is het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland gewijzigd (hierna: de verdragswijziging). Op grond van de verdragswijziging heeft de Belastingdienst in 2017 en 2018 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren vanaf 2012 aan de vliegers opgelegd (in totaal respectievelijk € 1,1 miljoen en € 600.000). KLM heeft (ook) in de jaren 2012-2017 geen loonbelasting ingehouden op de door haar aan de vliegers betaalde brutosalarissen. De vliegers vorderen (samengevat) dat KLM wordt veroordeeld tot (primair) betaling van de bedragen die zij op grond van de opgelegde of nog op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting aan de Belastingdienst moeten betalen over het door hen ontvangen loon, dan wel (subsidiair) tot vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van de opgelegde of nog op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting. De vliegers leggen aan deze vorderingen onder meer ten grondslag dat KLM heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap, door hen niet tijdig te waarschuwen voor de gevolgen van de verdragswijziging en door ten onrechte vanaf 2012 geen loonbelasting op hun loon in te houden. De kantonrechter (zie AR 2023-0590) heeft voor recht verklaard dat KLM aansprakelijk is voor 50% van de door de vliegers geleden schade. Volgens de kantonrechter had KLM een zorgplicht jegens de vliegers om hen te waarschuwen voor de mogelijk grote financiële gevolgen van de verdragswijziging. Het gerechtshof (zie AR 2022-0661) heeft de vorderingen van de vliegers alsnog afgewezen. De Hoge Raad (zie AR 2023-1143) heeft onder meer overwogen dat een werkgever uit hoofde van goed werkgeverschap onder omstandigheden gehouden kan zijn de werknemer in kennis te stellen van een wijziging van regelgeving die voor diens fiscale positie van belang is. De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing.
Oordeel
Het hof constateert dat KLM in alle instanties van deze procedure en bij herhaling heeft gevraagd om overlegging van documenten over onder meer de fiscale positie van de vliegers in Zwitserland. Met het oog op de mondelinge behandeling na verwijzing hebben de vliegers “Steuererklärungen” over 2011 t/m 2014 overgelegd. KLM heeft deze “Steuererklärungen” laten beoordelen door EY Switzerland. Het KLM-inkomen is in Zwitserland niet zelfstandig belast. Het hof trekt hieruit de conclusie dat het standpunt van de vliegers dat zij in Zwitserland ook over het KLM-inkomen belasting hebben betaald, niet juist is. De omstandigheid dat zij in Zwitserland over het in Zwitserland genoten inkomen volgens een hoger tarief inkomstenbelasting hebben betaald als gevolg van het KLM-inkomen, betekent niet dat zij in Zwitserland over het KLM-inkomen belasting hebben betaald. De vliegers hebben dus in Zwitserland vrijstelling genoten van belasting over hun KLM-inkomen. Daarnaast heeft werknemer 1 het KLM-inkomen in Zwitserland opgegeven bij “Auf steuerbare Einkünfte im Ausland”. Naar het hof begrijpt, geldt dat in vergelijkbare zin voor werknemer 2. Onder deze omstandigheden kunnen de vliegers niet worden gevolgd in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM-inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting. Het hof neemt daarbij voor zover nodig in aanmerking dat het van algemene bekendheid is dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden, over het KLM-inkomen ergens (hetzij in Zwitserland hetzij in Nederland) belasting verschuldigd zou zijn. Het hof verwerpt daarom de stellingname van de vliegers dat het toepassen van de vrijstelling in Zwitserland niet betekent dat men behoorde te weten dat er in Nederland belasting betaald zou moeten worden. De vliegers hebben nog gesteld dat hun aangiftes na 2012 niet anders gebeurden dan daarvoor, maar deze stelling leidt niet tot een ander oordeel. Er valt hoogstens uit af te leiden dat zij ook in de jaren vóór 2012 geen belasting hebben betaald over hun KLM-inkomen. De voorgaande overwegingen voeren het hof tot de conclusie dat de vliegers zich niet met succes erop kunnen beroepen dat KLM heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door hen niet tijdig te waarschuwen voor de gevolgen van de verdragswijziging en door ten onrechte vanaf 2012 geen loonbelasting op hun loon in te houden. Het bestreden vonnis voor zover na verwijzing aan het oordeel van het hof onderworpen, zal daarom worden vernietigd en de vordering van de vliegers zal alsnog worden afgewezen.