Naar boven ↑

Rechtspraak

Dikmans/Unilever
Hoge Raad, 13 februari 2015
ECLI:NL:HR:2015:295

Dikmans/Unilever

Unilever/Dikmans II. Bewijswaardering en deskundingenbericht bij omkeringsregel niet onjuist toegepast.

(Vervolg Unilever/Dikmans.) Nadat de Hoge Raad in 2000 had geoordeeld dat in deze procedure het (toen) nieuwe artikel 7:658 BW moet worden toegepast en de zogenoemde omkeringsregel ten aanzien van de causaliteit tussen blootstelling aan gevaarlijke stoffen en ziekte van de werknemer introduceerde, is de zaak verwezen naar het Gerechtshof Den Haag. Het hof heeft onderzoek door deskundigen bevolen. In zijn eindarrest overweegt het hof dat het voorbijgaat aan de partijkritiek van werknemer op de deskundigenrapportages omdat geen sprake is van een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de zienswijze van de deskundigen. Het hof gaat uit van de juistheid van de conclusies van de medisch deskundigen en oordeelt dat geen causaal verband bestaat tussen de gezondheidsklachten van werknemer en de door hem gestelde blootstelling aan voor de gezondheid schadelijke stoffen en dat dit slechts anders is voor zover het gaat om de (lichte) polyneuropathie, die kan zijn veroorzaakt door blootstelling aan gevaarlijke stoffen (te weten hexaan). Het hof wees de vordering van werknemer in zoverre toe. In cassatie betoogt werknemer dat het hof door zijn vraagstelling aan de deskundigen een belangrijk deel van de vordering van werkemer buiten de beoordeling heeft geplaatst. Werknemer komt voorts op tegen het voorbijgaan door het hof aan de betwisting door werknemer van de conclusies van de deskundigen.

De advocaat-generaal concludeert als volgt. De ‘omkeringsregel’ is nader aangescherpt in de twee hiervoor genoemde arresten van 7 juni 2013 (SVB/Van de Wege en Lansink/Ritsma). Uw Raad overwoog in deze arresten onder verwijzing naar zijn arresten van 17 november 2000, 23 juni 2006 en 9 januari 2009 het volgende. Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Het oordeel dat die regel meebrengt dat voor het antwoord op de vraag of de gezondheidsklachten van de werknemer kunnen zijn veroorzaakt door de blootstelling aan gevaarlijke stoffen rechtens geen ondergrens bestaat, in die zin dat de grootte van die kans daarvoor niet van belang is, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De hier bedoelde regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. Tegen de achtergrond van deze nadere aanscherping – die meebrengt dat de grootte van de kans dat de schade waarvan de werknemer vergoeding vordert is veroorzaakt door de voor de gezondheid schadelijke werkomstandigheden (zoals blootstelling aan gevaarlijke stoffen), wel degelijk van belang is – dient de rechter te beoordelen of de werknemer aannemelijk heeft gemaakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die door de schadelijke werkomstandigheden (zoals de blootstelling aan gevaarlijke stoffen) kunnen zijn veroorzaakt. Ingeval (medisch) deskundigen zijn benoemd, zal de omkeringsregel geen toepassing kunnen vinden ingeval naar het oordeel van de rechter uit de rapportage moet worden opgemaakt dat het verband tussen de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd en de werkomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. Zie over de (aanscherping van de) omkeringsregel T. Hartlief in zijn NJ-annotatie bij de arresten van 7 juni 2013 (SVB/[C] en [D/E]) en A-G J. Spier in zijn conclusies voor deze arresten. Zie verder onder anderen nog: J.T. van der Kroon, ‘Hoeveel hoop gloort er nog voor de werknemer met een multicausaal ziektebeeld?’, TRA 2013/102; S. Sahtie, ‘De aansprakelijkheid van werkgevers voor beroepsziekten krachtens art. 7:658 BW: zijn de grenzen bereikt?’, MvV 2013, p. 320-328; L.L. Veendrick, ‘De arbeidsrechtelijke omkeringsregel aangescherpt en verduidelijkt’, Bb 2013/56; Chr.H. van Dijk en L.L. Veendrick, ‘Zorgplichtschending bij beroepsziekten; bewijsproblemen bij het causaal verband: de arbeidsrechtelijke omkeringsregel en het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid’, TVP 2013, p. 127-136; L.E.M. Charlier, ‘Bewijsvragen en hun antwoorden in beroepsziektezaken’, TGMA 2014 (maart), p. 4-16; (juni), p. 46-56; I. Giesen en K. Maes, ‘Omgaan met bewijsnood bij de vaststelling van het causaal verband in geval van verzuimde informatieplichten’, NTBR 2014/27. 

Ingeval de rechter (medisch) deskundigen heeft benoemd, zal de rechter – als gezegd – tegen de achtergrond van de aangescherpte omkeringsregel moeten beoordelen of op grond van de deskundigenberichten kan worden geconcludeerd dat de werknemer erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de schade waarvan hij vergoeding vordert, is veroorzaakt door de voor de gezondheid schadelijke werkomstandigheden, waarbij geldt dat de omkeringsregel geen toepassing kan vinden ingeval het verband tussen de schade en de werkomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. De waardering van het bewijs, en daarmee ook de bewijswaardering van een deskundigenbericht is overgelaten aan het oordeel van de rechter die over de feiten oordeelt, tenzij de wet anders bepaalt (art. 152 lid 2 Rv). De rechter heeft daarbij een grote mate van vrijheid. Dat aan de rechter overgelaten oordeel en de aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van het deskundigenbericht kunnen in cassatie niet op juistheid doch slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Voor de rechter geldt een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van de beslissing de conclusies van de deskundigen al dan niet te volgen. Maar ook hier geldt de grondregel dat de rechterlijke beslissing ten minste zodanig gemotiveerd dient te zijn dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing voor partijen en derden, onder wie de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar te maken. De mate waarin de rechter inzicht dient te geven in zijn gedachtegang, hangt ook af van het processuele debat van partijen. Indien de rechter de zienswijze van een door hem benoemde deskundige volgt, zal hij zijn beslissing in het algemeen niet verder hoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige moeten ingaan indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze. Hij zal ook bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle terzake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking moeten nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang moeten toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. Zie in het bijzonder HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921, NJ 2011/599. Zie voorts onder meer HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478, NJ 2004/74; HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5172, RvdW 2007/887; HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3514, NJ 2011/311; HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3519, RvdW 2011/916; HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468, RvdW 2013/673. Zie voorts G. de Groot, Het deskundigenbericht in de civiele procedure, 2008, p. 392-427 en G. de Groot, Civiel deskundigenbewijs, 2012, p. 70-75; Pitlo/Rutgers & Krans 2014, Bewijs, nrs. 149-150 en Asser Procesrecht/Asser 3 2013/267, 301-302.

Anders dan werknemer meent, heeft het hof de vraagstelling niet verkeerd geformuleerd (waarbij meespeelt dat werknemer zelf in de gelegenheid is gesteld de vragen aan te scherpen). Het gegeven dat de medici die werknemer in de loop der jaren medisch hebben onderzocht, een verband leggen tussen zijn gezondheidsklachten en de blootstelling aan nikkel(verbindingen) en organische oplosmiddelen, brengt op zichzelf nog niet mee dat het hof de conclusies uit de deskundigenrapporten van dr. Rooyackers, dr. Hulshof en dr. Hageman niet kon volgen. Het hof heeft onder ogen gezien of de door werknemer naar voren gebrachte bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundigen. Omdat deze betwistingen niet meer inhielden dan inzichten van werknemer zelf (middels zijn echtgenote), mocht het hof hieraan voorbijgaan.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.