Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 oktober 2017
ECLI:NL:GHAMS:2017:4123
ondernemingsraad Uniface B.V./Uniface B.V. en tegen M4 Global Solutions Holding B.V. en Marlin Equity Partners, LLC
Feiten
Uniface is een leverancier van een bedrijfssoftware-applicatietool. Zij heeft werkmaatschappijen over de hele wereld. M4 Global Solutions Holding houdt alle aandelen in Uniface. De aandelen in M4 Global Solutions Holding worden gehouden door M4 Global Solutions Holding Coöperatief. Marlin is de uiteindelijk belanghebbende achter deze coöperatie. Op 26 april 2017 hebben M4 Global Solutions Holding als verkoper en Unite HoldCo als koper een ‘Signing Protocol’ gesloten met betrekking tot de overdracht van de aandelen in Uniface .Op 28 april 2017 heeft Uniface aan de ondernemingsraad advies gevraagd over een voorgenomen besluit dat ziet op ‘the direct or indirect change of control’ van Uniface en daarmee samenhangende voorgenomen besluiten met betrekking tot een kredietarrangement met investeringspartijen en de vestiging van pandrechten op onder meer aandelen in Uniface. Uniface heeft de ondernemingsraad verzocht binnen vier weken advies uit te brengen. Bij de aanvraag zijn geen onderliggende stukken gevoegd. Op 23 juni 2017 heeft de ondernemingsraad een negatief advies uitgebracht. Aan dit advies ligt in de kern ten grondslag dat (1) de ondernemingsraad geen wezenlijke invloed heeft kunnen uitoefenen op het voorgenomen besluit, (2) de ondernemingsraad ten onrechte niet om advies is gevraagd met betrekking tot de adviesopdrachten aan Baird, Deloitte, L.E.K. en Loyens & Loeff, (3) voorafgaand aan de adviesaanvraag geen tijdig overleg op de voet van artikel 24 lid 1 WOR met de ondernemingsraad heeft plaatsgevonden, (4) de adviesaanvraag niet naar behoren is gedocumenteerd en gemotiveerd, (5) aan de ondernemingsraad ontoereikende informatie is versterkt en (6) het medezeggenschapstraject onzorgvuldig is verlopen. Uniface heeft op 5 juli 2017 aan de ondernemingsraad bekend gemaakt dat Marlin diezelfde dag het besluit heeft genomen.
Oordeel
De Ondernemingskamer oordeelt als volgt.
Geen wezenlijke invloed kunnen uitoefenen
De ondernemingsraad heeft terecht gesteld dat hij geen wezenlijke invloed op het besluit heeft kunnen uitoefenen. Aan dit oordeel liggen de volgende overwegingen ten grondslag. Aan de ondernemingsraad is geen advies gevraagd ten aanzien van het geven van adviesopdrachten aan Baird, Deloitte, L.E.K. en aan Loyens & Loeff. Daarmee was al een belangrijke slag in de medezeggenschap gemist in het kader van de voorbereiding van een (eventuele) verkoop van Uniface. Met betrekking tot de stelling van verweersters dat de ondernemingsraad op de hoogte moet zijn geweest van de betrokkenheid van deskundigen overweegt de Ondernemingskamer nog dat wat daarvan ook zij, het aan verweersters is om het medezeggenschapstraject correct vorm te geven (zie ook hierna). Toen de ondernemingsraad in december 2016 zijn ‘Assessment Points’ aan Uniface heeft doen toekomen, was het veilingproces in feite al in volle gang, zonder dat de ondernemingsraad daarvan voldoende op de hoogte was gesteld. In de overlegvergadering van 26 september 2016 was aan de ondernemingsraad slechts medegedeeld dat Marlin de mogelijkheden voor een verkoop aan het onderzoeken was en dat het proces in een ‘early stage’ verkeerde. Uit het voorgaande blijkt dat verweersters artikel 24 lid 1 van de WOR in het kader van de advisering hebben geschonden. Niet is gebleken dat er daadwerkelijk inhoudelijke mededelingen over het besluit dat werd voorbereid in het kader van de overdracht van de zeggenschap in de genoemde overlegvergaderingen – of daarbuiten – zijn gedaan. Evenmin is gebleken dat er afspraken zijn gemaakt over het tijdstip en de wijze waarop de ondernemingsraad in de besluitvorming zou worden betrokken. Daarnaast is de Ondernemingskamer van oordeel dat verweersters ontoereikende informatie hebben verstrekt met het oog op een goed verloop van de medezeggenschap. Het achteraf geven van deze informatie en het beantwoorden van vragen was – mede gelet op de aanvankelijk gestelde reactietermijn – in dit geval niet afdoende om de gebrekkige adviesaanvraag te kunnen helen. In het onderhavige geval klemt dat te meer nu verweersters voorafgaand aan de adviesaanvraag geen relevante informatie aan de ondernemingsraad hadden verstrekt, geen inhoudelijke reactie hebben gegeven op de ‘Assessment Points’ van de ondernemingsraad en bovendien het voorschrift van artikel 24 lid 1 WOR hebben geschonden. Tot slot overweegt de Ondernemingskamer dat niet duidelijk is waarom de concept-koopovereenkomst in het kader van de adviesaanvraag niet met de ondernemingsraad is gedeeld. De enkele mededeling van verweersters dat die koopovereenkomst geen informatie bevat die relevant is voor de rechten van de ondernemingsraad op grond van de WOR volstaat in dat kader niet. De slotsom luidt dat het verzoek voor recht te verklaren dat Uniface, M4 Global Solutions Holding, M4 Global Solutions Coöperatief en Marlin bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit van 5 juli 2017, zal worden toegewezen.