Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 6 december 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:6010
NS Reizigers B.V./werknemer
Feiten
Werknemer is op 1 maart 1979 in dienst getreden bij NS. Werknemer is thans werkzaam als machinist.
Op 7 juli 2017 heeft een door Organisatie X geïnitieerd werkoverleg op station Amsterdam Centraal plaatsgehad, waarbij circa 40 werknemers van NS waren betrokken. Tijdens dit werkoverleg is door de betrokkenen actie gevoerd (hierna: de actie), waarbij onregelmatigheden zijn ontstaan. Er zijn die avond circa 75 treinen niet vertrokken. Werknemer was (in zijn vrije tijd) aanwezig tijdens de actie en heeft toen enkele malen telefonisch contact opgenomen met het Regionale Besturingscentrum (RBC) en de Treindienstleiding van NS. NS verzoekt om bij beschikking de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden zonder toekenning van de transitievergoeding. NS baseert haar verzoek op artikel 7:671b BW jo. 7:669 lid 3, primair op onderdeel e en subsidiair op onderdeel g BW. Het verweer van werknemer strekt primair tot afwijzing van het verzoek van NS.
Oordeel
Partijen verschillen allereerst van mening omtrent de vraag of werknemer arbeidsrechtelijke bescherming toekomt op grond van het ESH. Werknemer heeft ter zitting – bij monde van zijn gemachtigde – bevestigd dat er weliswaar een petitie is aangeboden, maar dat er geen onderhandelingen gaande waren. De actie kan reeds om die redenen niet dienen ter waarborging van een doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen, terwijl alleen dáárvoor dat grondrecht in artikel 6 lid 4 ESH bedoeld is. Het voorgaande betekent dat de actie niet onder het bereik van artikel 6 aanhef en lid 4 ESH valt en derhalve onrechtmatig is. De kantonrechter komt vervolgens toe aan de beantwoording van de vraag of de arbeidsovereenkomst van werknemer ontbonden dient te worden. Werknemer heeft ter zitting aangevoerd dat hij geslachtofferd wordt door NS, doordat alleen ten aanzien van hem ontbinding is gevraagd. Voor zover werknemer hiermee heeft bedoeld te zeggen dat hij zwaarder wordt getroffen dan de andere werknemers en er mogelijk sprake is van ongelijke behandeling, verliest hij hiermee uit het oog dat hij, vanwege zijn optreden als woordvoerder, een andere rol heeft gespeeld tijdens de actie dan de andere betrokkenen. Zoals in rechtsoverweging 5.4 reeds is overwogen, is de actie onrechtmatig. De actie was bovendien disproportioneel. Het treinverkeer is door de actie ernstig ontregeld geweest. Vast staat dat werknemer betrokken was bij de actie en daarbij als woordvoerder optrad. Het antwoord op de vraag of werknemer de initiator was van de actie, is naar het oordeel van de kantonrechter niet van doorslaggevend belang en kan dan ook in het midden blijven. Immers, de betrokkenheid van werknemer bij de actie en het herhaaldelijk en welbewust aansturen op het stilleggen van het treinverkeer zijn reeds voldoende om zijn handelen als ernstig verwijtbaar aan te merken. Het voorgaande brengt mee dat van NS in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter zal het verzoek van NS op de primaire grondslag dan ook toewijzen. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter op grond van artikel 7:671b lid 8 onderdeel b BW een andere datum voor de ontbinding kan bepalen dan zoals in onderdeel a van dat artikel en lid is voorgeschreven. De kantonrechter ziet aanleiding om van die mogelijkheid gebruik te maken en bepaalt de datum van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 1 januari 2018. Omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van werknemer is op grond van artikel 7:673 lid 7 aanhef en onderdeel c BW in beginsel geen transitievergoeding verschuldigd.