Naar boven ↑

Rechtspraak

ABN AMRO/werknemer
Rechtbank Noord-Nederland, 14 december 2017
ECLI:NL:RBNNE:2017:4789

ABN AMRO/werknemer

Het geheimhoudingsbeding kan niet zo ruim worden uitgelegd dat dit beding de ex-werknemers verbiedt klanten van werkgever te benaderen. Geen sprake van onrechtmatige concurrentie door de ex-werknemers.

Feiten

Werknemer 1 en 2 zijn voormalig werknemers van ABN AMRO. Zij waren tijdens hun dienstverband de twee beleggingsadviseurs van ABN AMRO in de regio Friesland. In de arbeidsovereenkomsten van werknemer 1 en 2 was een geheimhoudingsbeding opgenomen. ABN AMRO vordert onder meer dat de kantonrechter in kort geding werknemer 1 en 2 zal veroordelen zich te onthouden van het voor zakelijke doeleinden benaderen van, en verlenen van diensten op financieel gebied aan, (ex-)klanten van ABN AMRO. ABN AMRO heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Door het benaderen van klanten van ABN AMRO handelen werknemer 1 en 2 in strijd met de in hun respectieve arbeidsovereenkomsten opgenomen geheimhoudingsbedingen. Voorts beconcurreren werknemer 1 en 2 op deze wijze ABN AMRO op onrechtmatige wijze. Zij benaderen structureel en stelselmatig vaste klanten van ABN AMRO, waarbij zij gebruik maken van de kennis en ervaring die zij bij ABN AMRO hebben opgedaan.

Oordeel

Handelen in strijd met (geheimhoudings)beding in arbeidsovereenkomst

Nu ABN AMRO niet heeft weersproken dat zij het geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomsten van werknemer 1 en 2 heeft opgenomen en dat over het beding niet is onderhandeld, is in het kader van dit kort geding, dat zich niet leent voor nadere bewijsvoering, niet aannemelijk geworden dat tussen partijen een verdergaande strekking aan de orde is geweest, laat staan overeengekomen. Daarom kan ABN AMRO niet gevolgd worden in de door haar voorgestane uitleg, inhoudende dat het beding werknemer 1 en 2 (ook) verbiedt klanten van ABN AMRO actief te benaderen, nu het beding dan mede de strekking van een relatiebeding zou krijgen.

Onrechtmatige concurrentie

De kantonrechter overweegt dat, ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van de inhoud van de overgelegde gespreksverslagen, dit nog niet leidt tot de conclusie dat sprake is van onrechtmatige concurrentie. Uit de gespreksverslagen blijkt namelijk niet dat werknemer 1 dan wel werknemer 2 stelselmatig het klantenbestand van ABN AMRO benadert of heeft benaderd. Zo kan uit de gespreksverslagen en de overgelegde overboekingen van bedragen door (oud-)klanten van ABN AMRO naar werknemer 1 of 2 niet worden afgeleid dat het contact met de klanten altijd tot stand is gekomen op initiatief van werknemer 1 dan wel werknemer 2. Voorts blijkt uit de verslagen van de gesprekken met de klanten A op 30 maart 2017 en B op 20 juni 2017 dat deze klanten werknemer 2 bij toeval zijn tegengekomen en pas bij die gelegenheid door hem zijn gevraagd om een afspraak met hem te maken. Dit duidt evenmin op een gerichte en stelselmatige benadering van klanten. Ook is niet aannemelijk geworden dat de klanten, ten aanzien waarvan uit de gespreksverslagen wél zou kunnen worden afgeleid dat zij door werknemer 1 dan wel werknemer 2 actief zijn benaderd, een substantieel deel van de vaste klanten van ABN AMRO betreft. In het geval van werknemer 2 gaat het namelijk maar om zeven klanten en in het geval van werknemer 1 slechts om twee klanten, terwijl werknemer 1 en 2 onbestreden hebben aangevoerd dat zij in de tijd dat zij bij ABN AMRO werkten meer dan 200 klanten per persoon bedienden. Dit alles maakt dat niet aannemelijk is geworden dat werknemer 1 en 2 ABN AMRO onrechtmatig beconcurreren. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen dienen te worden afgewezen.