Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28 maart 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:1198
werknemer/De Stichting
Feiten
Werknemer is op 1 februari 2015 bij werkgeefster in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de functie van (meewerkend) bedrijfsleider. De arbeidsovereenkomst geldt inmiddels als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Werkgeefster is een stichting die zich bezighoudt met het verkopen van tweedehandsgoederen van particulieren. De stichting is opgericht op 3 juli 1992. A staat vanaf de oprichting van de stichting tot heden onafgebroken als bestuurder ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Met ingang van 21 november 2017 heeft bestuurder A de heer B benoemd als bestuurder. Bij brief van 17 november 2017 is werknemer door A aangesproken op zijn functioneren. Op diezelfde datum heeft werknemer A een brief toegezonden waarin staat vermeld dat uit de statuten is gebleken dat bestuurder A geen rechtsgeldig lid van het bestuur is, omdat het conform de statuten na zes jaar niet mogelijk is het lidmaatschap van het bestuur te continueren. De stichting kent – aldus werknemer – geen rechtsgeldig bestuur. Bij brief van 24 november 2017 heeft B werknemer op staande voet ontslagen. In deze brief staat dat de reden daarvoor valsheid in geschrifte is bij de inschrijving van werknemer in de Kamer van Koophandel op 19 mei 2017. Werknemer verzoekt primair het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst af te wijzen en hem toe te laten tot het werk, op straffe van een dwangsom. De stichting verzoekt primair (voorwaardelijke) ontbinding op grond van verwijtbaar handelen.
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat de statuten van de stichting specifieke bepalingen bevatten omtrent de benoeming, de herbenoeming en het einde van het lidmaatschap van bestuurders. Niet weersproken is dat de benoemingstermijn van A al vele jaren is geëxpireerd. Dat hij zich desondanks is blijven gedragen als bestuurder en zich niet bij de Kamer van Koophandel als bestuurder heeft uitgeschreven, maakt niet dat hij nog steeds de bevoegdheden heeft van bestuurder van werknemer. Dit leidt ertoe dat de besluiten die zijn genomen door A vanaf het moment dat hij geen bestuurslid meer was, nietig zijn. Dit geldt derhalve eveneens voor het besluit van A tot benoeming van de nieuwe bestuursleden, onder wie B. De conclusie is dan ook dat de stichting thans geen rechtsgeldig bestuur kent. In de benoeming van een bestuur in een situatie als deze kan niet anders worden voorzien dan door benoeming door de rechtbank in de zin van artikel 2:299 BW. Nu A en B geen bestuurders zijn van werknemer, zijn zij, noch hun gemachtigde, bevoegd om namens werknemer een (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek bij de kantonrechter in te dienen. De kantonrechter zal het verzoek dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De kantonrechter stelt vast dat het besluit om werknemer op staande voet te ontslaan niet is genomen door een daartoe bevoegde bestuurder van de stichting. Het ontslagbesluit is dan ook een niet rechtsgeldig besluit geweest. Het besluit is nietig en de arbeidsovereenkomst is na 24 november 2017 blijven bestaan. Het verzoek van werknemer tot toelating op de werkplek is derhalve toewijsbaar. De daaraan gekoppelde dwangsom wordt afgewezen, nu de kantonrechter ervan uitgaat dat de stichting in goed overleg met werknemer ook zonder dwangsom aan de veroordeling zal voldoen.