Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 8 mei 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:1985
werkneemster/werkgeefster
Feiten
Werkneemster, taxichauffeuse, heeft op 17 september 2014 met werkgeefster een woordenwisseling over het niet beschikbaar zijn van haar gebruikelijke wagen. Na deze woordenwisseling wordt zij weggestuurd en de dag daarop op staande voet ontslagen. Op verzoek van werkgeefster is de arbeidsovereenkomst, voor zover die nog bestond, met ingang van 15 december 2014 ontbonden. Werkneemster stelt dat het ontslag op staande voet onterecht gegeven is en vordert loon over de periode tot aan het moment dat de arbeidsverhouding rechtmatig beëindigd zal worden.
Oordeel
Uit de ontslagbrief blijkt dat een woordenwisseling heeft plaatsgevonden nadat werkneemster op haar werk arriveerde en te horen kreeg dat haar gebruikelijke wagen, een automaat, voor een Apk-keuring naar de garage was gebracht. Werkgeefster had haar daarom enkele andere wagens aangeboden, maar werkneemster heeft deze geweigerd. De eerste wagen die werkgeefster aanbood, ook een automaat, vond zij namelijk een ‘vieze pleurisbak’ en de overige wagens hadden handgeschakelde versnellingsbakken, waarmee zij niet uit de voeten kon. Toen werkgeefster uit coulance aanbood een andere medewerkster terug te laten komen naar de centrale van werkgeefster, zodat werkneemster haar auto kon overnemen, koos zij toch voor de ‘vieze pleurisbak’. Vervolgens, zo stelt werkgeefster, heeft werkneemster tot twee keer toe een dienstopdracht (het vervoeren van een CZ-patiënt) geweigerd. Deze weigering was voor werkgeefster de druppel die de emmer deed overlopen en de reden voor het ontslag op staande voet. Daarnaast verpestte werkneemster met haar drammerige gedrag vaker de sfeer voor haar collega’s. Werkneemster heeft bevestigd dat een stevige woordenwisseling heeft plaatsgevonden, maar dat zij goede redenen had om bezwaar te maken tegen de vervangende wagens. Echter, volgens haar heeft zij niet geweigerd de dienstopdracht uit te voeren die zij, in eerste instantie van de centralist en vervolgens haar bedrijfsleider, had gekregen. De bewijslast dat zij de dienstopdracht heeft geweigerd rust op werkgeefster. Het hof bepaalt dat werkgeefster zal worden toegelaten tot bewijslevering ten aanzien van de werkweigering.