Naar boven ↑

Rechtspraak

Bergings Centrale Bollenstreek B.V./Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg c.s.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 27 september 2016
ECLI:NL:RBNNE:2016:5887

Bergings Centrale Bollenstreek B.V./Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg c.s.

Tussenuitspraak. Uitleg van tussen (onder meer) pensioenfondsen gesloten Convenant. Werkgever valt niet direct onder een van de categorieën waar het Convenant op ziet. Kantonrechter acht het niet van toepassing zijn van het Convenant onaanvaardbaar. Onvoorzien geval. Instelling overlegcommissie.

Feiten

Bergings Centrale Bollenstreek B.V. (hierna: BCB) is een onderneming met als hoofdactiviteit het bergen en transporteren van gestrande voertuigen, het transporteren van overige voertuigen en het verlenen van hulp aan het wegverkeer. Pf Vervoer is een bedrijfstakpensioenfonds in de bedrijfstak beroepsvervoer over de weg. Werkgevers en werknemers in die bedrijfstak zijn verplicht hieraan deel te nemen. SOOB is een sociaal fonds voor opleidingen en trainingen in de bedrijfstak beroepsvervoer over de weg. Op grond van de algemeen verbindendheid van de betreffende cao is de deelneming in het fonds eveneens verplicht binnen die bedrijfstak. Onder meer Pf Vervoer en de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek (hierna: PMT) hebben in 2012 een Convenant gesloten, omdat bleek dat bedrijven die zich bezighouden met takelen en bergen onder omstandigheden zowel tot Vervoer als Metaal en Techniek kunnen worden gerekend. Dit brengt conflicterende verplichtstellingsbesluiten met zich en kan op uitvoeringsniveau tot problemen leiden. In het Convenant hebben partijen gepoogd hierover duidelijkheid te scheppen, onder meer door een aantal categorieën werkgevers te onderkennen. BCB verzoekt thans een verklaring voor recht dat zij niet verplicht is tot aansluiting bij Pf Vervoer en/of SOOB.

Oordeel

BCB is een bedrijf dat zich bezighoudt met takelen en bergen en zij heeft onweersproken jarenlang de CAO Motorvoertuigen- en Tweewielerbedrijf (hierna: cao-MO) toegepast. De kantonrechter is van oordeel dat alleen wanneer evident sprake is van een bedrijfsvoering die valt onder het ene of andere verplichtstellingsbesluit, het Convenant niet van toepassing is. De kantonrechter is van oordeel dat van een dergelijke evidentie in de onderhavige casus geen sprake is. Voor de uitleg van het Convenant gaat de kantonrechter uit van de regels van uitleg die gelden voor cao's. Dit betekent dat de tekstuele uitleg in beginsel bepalend is, vooropgesteld dat daarmee niet een rechtens onaanvaardbare oplossing wordt verkregen. Volgens artikel 1 is het Convenant van toepassing op de vier (onder a tot en met d) in dat artikel genoemde gevallen. De kantonrechter stelt vast dat BCB geen werkgever is waarop de twee gevallen a en c zien, waarop BCB uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan. BCB heeft weliswaar de cao-MO toegepast, maar zij is niet – wat de gevallen a en c wel omschrijven – tegelijkertijd aangesloten geweest bij Pf Vervoer of PMT. Dit zou tot de conclusie leiden dat het Convenant naar de letter niet van toepassing is, terwijl aan de orde is een onduidelijk geval van 'takelen en bergen' waarvoor het Convenant juist geschreven is. Het niet van toepassing zijn van het Convenant is daarmee voor de kantonrechter een rechtens onaanvaardbare oplossing. Uitgaande van de toepasselijkheid van het Convenant is de kwestie BCB kennelijk een 'onvoorzien geval' als bedoeld in artikel 2 lid 5 van het Convenant. Volgens dat artikellid zou een door de contracterende partijen in te stellen overlegcommissie daarover moeten oordelen. De kantonrechter wil van partijen weten waarom die weg niet is bewandeld. Wanneer dat volgens Pf Vervoer is omdat zij het standpunt huldigt dat het Convenant niet van toepassing is, wil de kantonrechter van Pf Vervoer weten of voor het alsnog raadplegen van de commissie, gelet op wat hiervoor is overwogen, sprake moet zijn. De kantonrechter merkt in dat verband op dat BCB mogelijk een 'overige situatie' is als bedoeld in lid 4 van artikel 2 van het Convenant. En dan wordt mogelijk van belang de stelling van BCB dat Pf Vervoer het haar onmogelijk heeft gemaakt zich in te schrijven bij Pf Metaal en Techniek. Volgt aanhouding van iedere verdere beslissing.