Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 4 september 2018
ECLI:NL:RBNNE:2018:4354
Bergings Centrale Bollenstreek B.V./Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg c.s.
Feiten
Vervolg op tussenuitspraak van 27 september 2016 (zie AR 2018-1221). Bergings Centrale Bollenstreek B.V. (hierna: BCB) is een onderneming met als hoofdactiviteit het bergen en transporteren van gestrande voertuigen, het transporteren van overige voertuigen en het verlenen van hulp aan het wegverkeer. Pf Vervoer is een bedrijfstakpensioenfonds in de bedrijfstak beroepsvervoer over de weg. Werkgevers en werknemers in die bedrijfstak zijn verplicht hieraan deel te nemen. SOOB is een sociaal fonds voor opleidingen en trainingen in de bedrijfstak beroepsvervoer over de weg. Op grond van de algemeen verbindendheid van de betreffende cao is de deelneming in het fonds eveneens verplicht binnen die bedrijfstak. Onder meer Pf Vervoer en de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek (hierna: PMT) hebben in 2012 een Convenant gesloten, omdat bleek dat bedrijven die zich bezighouden met takelen en bergen onder omstandigheden zowel tot Vervoer als tot Metaal en Techniek kunnen worden gerekend. Dit brengt conflicterende verplichtstellingsbesluiten met zich en kan op uitvoeringsniveau tot problemen leiden. In het Convenant hebben partijen gepoogd hierover duidelijkheid te scheppen, onder meer door een aantal categorieƫn werkgevers te onderkennen. BCB verzoekt een verklaring voor recht dat zij niet verplicht is tot aansluiting bij Pf Vervoer en/of SOOB. In dat kader is, naar aanleiding van eerdergenoemde tussenuitspraak, een overlegcommissie ingesteld.
Oordeel
De Overlegcommissie, bestaande uit (vertegenwoordigers van) de partijen bij het Convenant, geeft in haar deskundigenbericht weer wat de bedoeling is van artikel 3 lid 2 Convenant. Dat artikel 3 lid 2 luidt als volgt: 'Indien daartoe de zogeheten Verplichtstellingsbeschikking moet worden aangepast zullen Partijen het daartoe leiden dat dit wordt geregeld. Partijen bij de Metaal en Techniek zullen in ieder geval de Verplichtstellingsbeschikking aanpassen in die zin dat de verplichting tot deelneming van PMT vast komt te liggen. Partijen zullen elkaar over en weer informeren omtrent de voorgenomen tekstwijzigingen.' In haar dagvaarding heeft BCB deze bedoeling van het artikel uit het Convenant genoemd, waar zij stelt dat de werkingssfeer van PMT zodanig zou worden uitgebreid dat ondernemingen werkzaam in de pechhulpverlening en berging zich voortaan verplicht bij PMT zouden moeten aansluiten. Pf Vervoer en SOOB hebben die bedoeling niet weersproken. Nu, na het deskundigenbericht, stelt de kantonrechter die bedoeling vast. Daarbij is de kantonrechter van oordeel dat takelen en bergen beperkter is en inbegrepen is in het ruimere pechhulpverlening en bergen. Vast staat dat takelen en bergen de bedrijfsactiviteit is (geweest) van BCB. Vast staat eveneens dat BCB met die bedrijfsactiviteit jarenlang de CAO Motorvoertuigen- en Tweewielerbedrijf (hierna: cao-MO) heeft toegepast. Deze cao-MO is algemeen verbindend verklaard in arbeidsrelaties waarin de werknemer in dienst van een werkgever tegen salaris arbeid verricht in het bedrijf dat zich bezighoudt met een van de in de algemeen verbindendverklaring genoemde bedrijfsactiviteiten, waaronder het takelen en bergen van motorvoertuigen. Bergen behelst ten dele vervoeren. BCB en PF Vervoer en SOOB zijn daar ook van uitgegaan. De kantonrechter constateert dat dat vervoersaspect voor de partijen bij het Convenant geen reden is geweest het begrip 'takelen en bergen', alvorens het op te nemen in een aangepaste verplichtstellingsbeschikking, nader te definiƫren, bijvoorbeeld als een activiteit zonder (noemenswaardig) vervoer, terwijl duidelijk is dat onder de taalkundige uitleg van takelen en bergen, zonder meer, ook in meer of mindere mate de subactiviteit vervoer valt. De brief van Pf Vervoer van 25 november 2013 (zie rechtsoverweging 2.5 tussenvonnis 27 september 2016) beoordeelt de kantonrechter als onjuist, want in strijd met de cao-MO, de door partijen bij het Convenant voorgestane wijziging van de verplichtstellingsbeschikking en de bedoeling van partijen bij het Convenant, namelijk het scheppen van duidelijkheid waar het gaat om bedrijven die zich bezighouden met takelen en bergen. Die duidelijkheid kan naar het oordeel van de kantonrechter niet anders betekenen dan dat bedrijven die zich bezighouden met takelen en bergen vallen onder de cao-MO en aangesloten kunnen/moeten worden bij PMT. Op geen enkele wijze blijkt dat takelen en bergen toch, al of niet ten dele, ondergebracht zal gaan worden bij de CAO Vervoer, Pf Vervoer en SOOB. Wanneer de Overlegcommissie stelt dat er een werkingssfeeronderzoek had moeten plaatsvinden en/of dat uit de processtukken blijkt dat BCB als onderdeel van takelen en bergen ook in belangrijke mate heeft vervoerd, waardoor er een verplichte aansluiting bij Pf Vervoer en SOOB zou bestaan, oordeelt de kantonrechter dat onbegrijpelijk. Taalkundige uitleg van de cao-MO, taalkundige uitleg van het Convenant, maar ook de op onderdelen kenbare bedoeling van partijen bij het Convenant, kunnen niet tot die opvatting van de Overlegcommissie leiden. In zoverre legt de kantonrechter het deskundigenbericht dan ook aan de kant.