Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 11 april 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:3316
werkgever/werknemer
Feiten
Het gaat in deze zaak om de zogenoemde overbruggingsregeling van artikel 7:673d BW (hierna: de overbruggingsregeling). De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vervaltermijn van drie maanden ex artikel 7:686a lid 4 aanhef en sub b BW geldt voor een bij wege van verweer gedaan beroep van de werkgever op de Overbruggingsregeling. Werkgever is in zijn verzoek om de transitievergoeding te bepalen op een bepaald bedrag niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd bij tussenbeschikking van 24 april 2018. Daarbij is voorop gesteld dat het Hof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 20 december 2017, waarin dezelfde rechtsvraag voorlag, heeft geoordeeld dat de werkgever op grond van de artikelen 7:686a lid 4 sub b BW jo. 7:673d BW binnen drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd de kantonrechter dient te hebben verzocht de hoogte van de transitievergoeding te bepalen bij gebreke waarvan de vervaltermijn is overschreden en een dergelijk verzoek niet meer mogelijk is. Nu tegen deze uitspraak beroep in cassatie was ingesteld en het hof kennisneming van de uitspraak van de Hoge Raad ook voor de beslissing van de onderhavige zaak van belang achtte, heeft het hof met instemming van partijen de zaak aangehouden. Bij beschikking van 14 december 2018 heeft de Hoge Raad op het cassatieberoep in de voornoemde zaak beslist dat een werkgever zich in het kader van een door werknemer begonnen procedure tot toekenning van een transitievergoeding, ook na het verstrijken van de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 aanhef en sub b BW, nog op (de uitzonderingen van) artikel 7:673a t/m 7:673d BW kan beroepen.
Oordeel
Gelijk werkgever heeft betoogd kan een beroep van de werkgever op de overbruggingsregeling transitievergoeding ook bij wege van verweer worden gedaan. Niet in geschil is dat een dergelijk verzoek is gedaan. Werkgever heeft gesteld dat hij aan de vereisten voor toepassing van de overbruggingsregeling voldoet. Werknemer heeft aangevoerd dat werkgever niet voldoet aan het vereiste dat de waarde van de vlottende activa van de onderneming per 31 december 2015 kleiner is dan de waarde van de schulden met een resterende looptijd van maximaal een jaar. Werkgever heeft deze stelling bestreden en verwezen naar de in eerste aanleg overgelegde jaarrekening 2015 en de e-mail van zijn financieel adviseur van 21 november 2016. Daaruit volgt, zo voert hij aan, dat de waarde van de vlottende activa kleiner is dan de waarde van de schulden. Het hof kan dat laatste evenwel niet afleiden uit deze stukken. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft werkgever bij monde van zijn financieel adviseur erkend dat de aangepaste jaarrekening, waarop hij zich in dit verband heeft beroepen, niet naar de Belastingdienst is gestuurd en het eigenlijk ook geen aanpassing betrof, maar een toelichting. Hieruit volgt dat van een op de juiste wijze aangepaste jaarrekening geen sprake is geweest. Hetgeen in de gewijzigde jaarrekening is opgenomen, ook als dat als een toelichting op de oorspronkelijke jaarrekening moet worden beschouwd, kan niet als doorslaggevend worden beschouwd. Nu uit de bij de Belastingdienst gedeponeerde jaarrekening niet kan worden afgeleid dat de waarde van de vlottende activa van de onderneming per 31 december 2015 kleiner is dan de waarde van de schulden met een resterende looptijd van maximaal een jaar, kan niet worden vastgesteld dat werkgever voldoet aan de vereisten voor toepasselijkheid van de overbruggingsregeling. Het hof betrekt hierbij de toelichting op artikel 24 van de Ontslagregeling. Daarbij wordt opgemerkt dat werkgever ook geen onderliggende bescheiden heeft overgelegd waaruit kan blijken dat de gedeponeerde cijfers inderdaad onjuist zijn, in die zin dat daaruit ten onrechte niet blijkt dat de waarde van de vlottende activa per 31 december 2015 kleiner is dan de waarde van de kortlopende schulden.