Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 29 mei 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:6409
Transvision B.V./werkneemster
Feiten
Werkneemster is op 1 december 2013 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Transvision B.V. (hierna: ‘Transvision’). In de arbeidsovereenkomst is een non-concurrentiebeding en een geheimhoudingsplicht opgenomen. Werkneemster heeft haar dienstverband met Transvision per brief van 12 april 2018 opgezegd tegen 1 mei 2018. Transvision vordert dat de voorzieningenrechter werkneemster verbiedt om in strijd te handelen met het tussen partijen overeengekomen non-concurrentiebeding, zulks op verbeurte van boetes. Verder vordert zij om werkneemster te veroordelen tot betaling aan Transvision van de inmiddels direct opeisbare en verbeurde boetes vanaf 30 november 2018 tot en met 30 april 2019 en werkneemster te gebieden om gedurende de gehele looptijd van de Schiphol-aanbestedingsprocedure op geen enkele manier en in geen enkele hoedanigheid zich in te laten met en uit te laten over de Schiphol-aanbesteding en daarbij wat betreft haar activiteiten en werkzaamheden op geen enkele wijze betrokken te zijn, zulks op verbeurte van een dwangsom.
Oordeel
Het ontbreekt Transvision aan belang bij de vordering werkneemster te verbieden in strijd te handelen met het concurrentiebeding, omdat de looptijd van het concurrentiebeding is verstreken. Deze vordering zal worden afgewezen. Met betrekking tot een voorziening in kort geding die bestaat in veroordeling tot betaling van een geldsom is terughoudendheid op zijn plaats. Met betrekking tot de advieswerkzaamheden die werkneemster op verzoek van Transdev/Connexxion in april 2019 heeft uitgevoerd, geldt dat werkneemster het concurrentiebeding heeft overtreden. Het verweer van werkneemster dat het boetebeding nietig is vanwege strijd met artikel 7:651 BW wordt verworpen. Dat sprake zou zijn geweest van een ingrijpende functiewijziging van werkneemster in de zin van artikel 7:653 BW, als gevolg waarvan het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder op werkneemster zou zijn gaan drukken, is onvoldoende gebleken. Werkneemster heeft overigens niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van een voor haar niet voorzienbare wijziging van bedrijfsactiviteiten waardoor het concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken. Werkneemster heeft het concurrentiebeding vier keer overtreden, hetgeen voor de voorzieningenrechter aanleiding is om een voorschot op de gevorderde boetes op te leggen. Werkneemster heeft een beroep op matiging gedaan ex artikel 6:94 BW. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter leidt de toepassing van het boetebeding in casu tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat. Werkneemster wordt veroordeeld tot betaling aan Transvision van een boete ter hoogte van € 6.500. Transvision heeft gevorderd dat werkneemster gedurende de gehele looptijd van de Schiphol-aanbestedingsprocedure op geen enkele manier en in geen enkele hoedanigheid zich in mag laten met en uit mag laten over de Schiphol-aanbesteding en daarbij wat betreft haar activiteiten en werkzaamheden op geen enkele wijze betrokken mag zijn. Deze vordering komt neer op een verlenging van het concurrentiebeding. Na het verstrijken van de periode waarop een concurrentiebeding betrekking heeft, is een werknemer in beginsel vrij te gaan werken voor een concurrent van zijn voormalige werkgever. Voor zover werkneemster na het verstrijken van de periode waarop het concurrentiebeding betrekking heeft werkzaamheden is gaan verrichten of voornemens is te verrichten bij een concurrent van Transvision, is dat op zichzelf genomen niet onrechtmatig jegens Transvision. Om aan te kunnen nemen dat concurrentie onrechtmatig is, moeten zich bijzondere bijkomende omstandigheden voordoen. Dat sprake is van dergelijke omstandigheden is onvoldoende aannemelijk geworden. Voor een preventieve maatregel zoals het gevorderde werkverbod ontbreekt dan ook een voldoende basis, zodat deze vordering zal worden afgewezen.