Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 25 september 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:4592
Stichting voor interconfessioneel voortgezet onderwijs het Baken/werkneemster
Feiten
Werkneemster is in 2007 als docent in dienst getreden bij Het Baken, een school voor bijzonder onderwijs. Op de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is de Cao voor het Voortgezet Onderwijs van toepassing. Werkneemster is op 15 mei 2017 arbeidsongeschikt geraakt. In het inzetbaarheidsprofiel van 23 januari 2018 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat werkneemster is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en met een overzichtelijk takenpakket met beperkte verantwoordelijkheden waarin de prikkelinput wordt gedoseerd. Op donderdag 15 februari 2018 om 01:04 uur heeft werkneemster, ten behoeve van het voor de volgende dag geplande voortgangsgesprek met B, een e-mail gestuurd waarin – kort samengevat – is opgenomen dat tijdens de in het kader van haar re-integratie te verzorgen steun/bijlessen meerdere malen geen leerlingen zijn verschenen op het opgegeven tijdstip en lokaal. Op 16 februari 2018 is werkneemster na een gesprek met A en B door Het Baken geschorst. De bedrijfsarts heeft op 22 juni 2018 geoordeeld dat werkneemster per 25 juni 2018 volledig arbeidsgeschikt is voor haar eigen werk, maar dat sprake is van belastende omstandigheden, die in onderling overleg met Het Baken opgelost moeten worden. Werkneemster heeft op 17 juli 2018 een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd. Het Baken verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens de e-grond omdat werkneemster niet is verschenen op haar les.
Oordeel
Het Baken heeft gesteld dat werkneemster op 12 februari 2018 niet verschenen is bij de steunles. Volgens Het Baken blijkt dit uit verklaringen van leerlingen, docenten en medewerkers van de balie/receptie. Het Baken heeft echter geen verklaringen overgelegd van leerlingen en medewerkers van de balie/receptie. De ‘verklaringen’ zijn daarnaast weinig gedetailleerd en sluiten niet uit dat werkneemster aanwezig is geweest op de betreffende maandagmiddag. Het had derhalve op de weg van Het Baken gelegen om haar stelling nader te onderbouwen. Ten aanzien van de afwezigheid zelf van werkneemster op 14 februari 2018 om 15.30 uur wordt verder overwogen dat het voorstelbaar is dat werkneemster – die in het kader van haar re-integratie structuur behoefde en niet goed kon omgaan met onverwachte situaties – zodanig van slag is geraakt dat zij heeft gehandeld zoals zij dat heeft gedaan. Het had op de weg van de begeleider van werkneemster gelegen om meteen contact te zoeken met werkneemster toen hij constateerde dat werkneemster niet op de steunles is verschenen. Het Baken heeft eerst aantoonbaar op de gebeurtenissen gereageerd op 16 februari 2018. Op die dag mocht werkneemster een regulier begeleidingsgesprek verwachten. Dit gesprek bleek echter bij aanvang geen begeleidingsgesprek. Het gesprek werd door Het Baken aangegrepen om werkneemster met haar functioneren in de afgelopen week te confronteren en haar op non-actief te stellen. Zeker in het licht van de medische situatie van werkneemster getuigt dit niet van goed werkgeverschap. Door te handelen zoals zij heeft gedaan, heeft Het Baken ervoor gezorgd dat de arbeidsverhouding zwaar onder druk kwam te staan. Hierna heeft Het Baken niets ondernomen om de arbeidsverhouding te normaliseren. Het Baken heeft dus direct aangestuurd op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en heeft daarin volhard. Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat de arbeidsverhouding duurzaam en onherstelbaar verstoord is geraakt. Daarvan treft Het Baken een ernstig verwijt. Als gevolg van dit ernstig verwijtbaar handelen moet werkneemster noodgedwongen op zoek gaan naar een andere baan. Dat werkneemster tot aan de pensioengerechtigde leeftijd geen werk elders meer zal vinden is niet aannemelijk. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat werkneemster binnen twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst in staat moet zijn een nieuwe baan op gelijk salarisniveau te vinden. De kantonrechter gaat ervan uit dat de inkomensschade in die periode afgerond € 15.000 bruto bedraagt. Dit bedrag zal derhalve worden toegekend als billijke vergoeding.