Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 13 januari 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:186
Feiten
Werknemer is op 1 november 1999 bij Fair Play in dienst getreden. Eind juni 2019 vindt er een personeelsuitje plaats. Werknemer ontvangt voor negen personen van de locatiemanager van Fair Play een bedrag van € 675 in contanten. Na terugkeer van het uitje levert werknemer € 50 in bij de locatiemanager en overlegt ter verantwoording drie bonnen. Een van de drie bonnen, ad € 135 van Da Kiko, ziet niet op uitgaven van het personeel van Fair Play. Werknemer verklaart, na daartoe te zijn gevraagd, wisselend over de ingeleverde bon van Da Kiko. Fair Play verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen dan wel verstoorde arbeidsverhouding. Werknemer voert verweer.
Oordeel
Ter verantwoording van uitgaven bij een teamuitje is door werknemer (en twee collega’s) een bonnetje ingediend dat niet zag op de uitgaven van het teamuitje. Uit de stukken en de verklaringen ter zitting blijk dat werknemer over deze werkwijze met twee andere collega’s onderling overleg heeft gehad en ze over die gezamenlijk afgesproken handelswijze niet uit eigen beweging transparantheid hebben gegeven. De kantonrechter is van oordeel dat door het handelen zoals dit tussen partijen vast staat, te weten het bij het verantwoorden van uitgaven op rekening van Fair Play bewust een niet van toepassing zijnde factuur in te dienen en daar niet uit eigen beweging duidelijkheid over te verschaffen, alle drie de werknemers het vertrouwen van Fair Play hebben geschaad. Dit klemt temeer nu werknemers van Fair Play veelvuldig in aanraking komen met aanzienlijke geldstromen. De arbeidsovereenkomst wordt zonder inachtneming van de opzegtermijn op de e-grond ontbonden. De kantonrechter oordeelt verder dat het handelen ernstig verwijtbaar is en er daarom geen transitievergoeding verschuldigd is.