Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/B&S Transport B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 30 juni 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:5782
Toewijzing voorlopige voorziening tot doorbetaling van loon. ‘Beëindigingsbrief’ kwalificeert niet als beëindigingsovereenkomst (niet voldaan aan schriftelijkheidsvereiste) en evenmin als opzegging (de tekst van de brief biedt daar geen aanknoping voor). Arbeidsovereenkomst duurt onverminderd voort.

Feiten

Werknemer is op 20 december 2018 bij B&S Transport B.V. in dienst getreden in de functie van trailerchauffeur. Op 24 januari 2020 heeft B&S Transport werknemer het einde van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangezegd, naar aanleiding van een gesprek dat op die datum is gevoerd met werknemer. In de brief staat onder meer dat partijen in gezamenlijk overleg hebben besloten om uit elkaar te gaan. Werknemer heeft hier vervolgens schriftelijk op gereageerd en aangegeven niet akkoord te gaan met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Werknemer verzoekt thans bij wege van voorlopige voorziening, voor de duur van de procedure, veroordeling van B&S Transport tot doorbetaling van loon, alsmede haar te verplichten in het kader van zijn re-integratie werknemer op te roepen voor een spreekuur bij een bedrijfsarts.

Oordeel

Het verzoek van werknemer tot het treffen van een voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdzaak, nu daarin verzocht is de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen. Werknemer is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek. Een verzoek dat ziet op loondoorbetaling is naar zijn aard spoedeisend. Ditzelfde geldt voor het verzoek dat gericht is op het oproepen voor een spreekuur bij de bedrijfsarts in het kader van re-integratie. In de onderhavige procedure is de vraag aan de orde of er sprake is van beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden (zoals B&S Transport stelt, maar werknemer betwist) dan wel of B&S Transport met haar brief van 24 januari 2020 de arbeidsovereenkomst met werknemer heeft opgezegd (zoals werknemer stelt, maar B&S Transport betwist). Ingevolge artikel 7:670b lid 1 BW is een overeenkomst waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, slechts geldig indien deze schriftelijk is aangegaan. Anders dan B&S Transport heeft betoogd kwalificeert de brief van 24 januari 2020 niet als een beëindigingsovereenkomst als bedoeld in genoemd artikel. In de brief van 24 januari 2020 bevestigt B&S Transport slechts eenzijdig wat volgens haar tussen partijen op 24 januari 2020 is afgesproken. De brief bevat niet tevens een wilsuiting van werknemer waarmee werknemer tot uitdrukking brengt dat het ook zijn wens is om tot een einde van de arbeidsovereenkomst te komen. Nu niet voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:670b lid 1 BW is van beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden dan ook geen sprake. De brief van 24 januari 2020 kwalificeert evenmin als een opzegging. B&S Transport heeft betwist dat zij met de brief de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. De tekst van de brief biedt daar ook geen aanknoping voor. De term opzegging komt niet voor in de brief en de passages ‘hebben wij tijdens uw bezoek aan kantoor, in gezamenlijk overleg besloten en tevens overeengekomen, dat het verstandiger zou zijn om uit elkaar te gaan’ en hetgeen volgt in de alinea daarna ‘Hierbij bevestigen wij dan ook dat wij uw arbeidscontract, (…) hebben beëindigd.’ wijzen evenmin op opzegging door B&S Transport. Het voorgaande brengt de kantonrechter dan ook tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen onverminderd voortduurt. B&S Transport is daarom gehouden tot loonbetaling aan werknemer. Ten aanzien van de verzochte voorziening ter zake van het oproepen voor het spreekuur bij een bedrijfsarts in het kader van re-integratie overweegt de kantonrechter het volgende. Werknemer heeft niet betwist dat hij niet wenst mee te werken aan het verlenen van inzage in zijn medische gegevens aan de bedrijfsarts van B&S Transport, zolang B&S Transport zich op het standpunt blijft stellen dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 1 maart 2020. Met deze opstelling verbindt werknemer zijn medewerking aan een door hem zelf gestelde voorwaarde. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien welk (spoedeisend) belang werknemer heeft bij de verzochte voorlopige voorziening. Dit deel van zijn verzoek is daarom niet toewijsbaar. Het voorgaande betekent dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv zal worden toegewezen, voor zover het de loondoorbetaling betreft.