Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 22 juni 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:5632
Feiten
Werknemer is op 3 januari 2005 in dienst getreden bij Euro Start Uitzendbureau (hierna: Eurostart) in de functie van directeur. Bij e-mail van 25 december 2018 is werknemer op staande voet ontslagen door Eurostart, omdat hij in strijd met een (vermeend) non-concurrentiebeding heeft gehandeld. Omdat Eurostart zich beroept op een tussen partijen geldend non-concurrentiebeding, en het bestaan van dit beding door werknemer is betwist, is aan haar het bewijs opgedragen van de echtheid van de twee handtekeningen geplaatst onder de overgelegde arbeidsovereenkomst van 3 januari 2005 (waarin een non-concurrentiebeding is opgenomen). Op 20 september 2019 is het deskundigenrapport ingekomen bij de griffie.
Oordeel
Non-concurrentiebeding
De deskundige heeft in het onderzoek de twee handtekeningen vergeleken met referentiemateriaal bestaande uit twintig onbevangen vervaardigde handtekeningen van werknemer uit de periode 2002-2019. Na onderzoek is de deskundige tot de conclusie gekomen dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de betwiste handtekening niet door werknemer is geplaatst. De kantonrechter overweegt dat geen aanleiding bestaat het onderzoek of de uitkomst daarvan in twijfel te trekken. De mate van waarschijnlijkheid waarmee de deskundige heeft geoordeeld en hetgeen overigens door partijen op dit punt naar voren is gebracht, brengt de kantonrechter ertoe vast te stellen dat de door Eurostart overgelegde arbeidsovereenkomst niet door werknemer is ondertekend en dat er dus geen non-concurrentiebeding (of geheimhoudingsbeding en boetebeding) tussen partijen is afgesproken.
Beëindiging met wederzijds goedvinden
Verder dient de kantonrechter te beoordelen of werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan een dringende reden voor ontslag op staande voet dan wel een andere ontslaggrond. Werknemer betwist dit en vordert een transitievergoeding, een schadevergoeding wegens onrechtmatige opzegging en een billijke vergoeding van Eurostart. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een opzegging met wederzijdse instemming. Er bestaat geen schriftelijke overeenkomst en evenmin zijn omstandigheden gesteld of gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat werknemer duidelijk, ondubbelzinnig en schriftelijk heeft ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Ontslag op staande voet
De arbeidsovereenkomst is daarom geëindigd door het ontslag op staande voet van 25 december 2019. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit door Eurostart aan werknemer gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Gebleken is dat de arbeidsovereenkomst geen non-concurrentiebeding bevat, noch enige andere bepaling die werknemer verbiedt een eigen onderneming op te richten. Dat werknemer dit heeft gedaan, kan hem dus enkel op grond van de arbeidsovereenkomst niet worden verboden en dit is daarom geen geldige reden voor ontslag. Daarnaast is het bestaan van de lening door Eurostart niet onderbouwd. Nog afgezien van de vraag of het niet aflossen van een lening tot een rechtmatig ontslag op staande voet kan leiden, is er in dit geval onvoldoende onderbouwing om vast te kunnen stellen dat er een lening is. Ook de andere door Eurostart gemaakte verwijten zijn slechts summier onderbouwd, op grond waarvan de kantonrechter deze verwijten niet volgt. Bij gebreke van een dringende reden is het ontslag op staande voet dus niet rechtsgeldig geven. Daarmee kan de verzochte verklaring voor recht van werknemer worden toegewezen. Ook de transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding worden toegewezen, nu werknemer in het ontslag berust. Ten aanzien van de billijke vergoeding hanteert de kantonrechter de gezichtspunten uit de New Hairstyle-beschikking, op grond waarvan het de kantonrechter al met al redelijk voorkomt dat aan werknemer een billijke vergoeding van € 40.000 bruto zal worden toegekend.