Naar boven ↑

Rechtspraak

Vernietiging ontslag op staande voet, nadat ex-directeur in zijn nieuwe functie van docent ten onrechte is beticht van frauduleus handelen. Ontbindingsverzoek g-grond afgewezen, omdat hem de kans moet worden geboden zijn nieuwe functie (daadwerkelijk) uit te oefenen.

Feiten

Werknemer is op 1 januari 1995 bij werkgeefster X in dienst getreden. Vanaf de aanvang van het dienstverband bekleedde werknemer de functie van directeur tegen een salaris van € 5.427 bruto. X heeft als doel het bevorderen van de sociale, emotionele en motorische ontwikkeling van kinderen door middel van circusspel in de ruimste zin van het woord. In 2000 heeft werknemer voor de ondersteuning van circussen in Ethiopië een stichting (hierna: SVCE) opgericht. Daarnaast is werknemer samen met het toenmalige bestuur van X betrokken geweest bij de oprichting van een andere stichting (hierna: SVCR), die tot doel heeft het genereren van financiële middelen ter ondersteuning van X en het jeugdcircuswerk in het algemeen en andere culturele, charitatieve of algemeen nut beogende instellingen. Op 31 januari 2020 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin is overeengekomen de arbeidsovereenkomst van werknemer per 1 maart 2020 met wederzijds goedvinden te beëindigen. Onderdeel van de vaststellingsovereenkomst is ook dat werknemer per laatstgenoemde datum opnieuw in dienst treedt bij X, ditmaal in de functie van docent tegen een salaris van € 1.871 bruto. Op 19 maart 2020 heeft werknemer een bedrag van € 5.392,98 overgeboekt van de bankrekening van SVCR naar een nieuwe door hem op zijn naam geopende bankrekening onder vermelding van ‘Overboeking saldo Circussen in Ethiopië’. Naar aanleiding van deze gebeurtenis is werknemer op 1 mei 2020 – nadat hij daarvoor officieel is gewaarschuwd – wegens frauduleus handelen op staande voet ontslagen. Werknemer heeft zich tot de kantonrechter gewend met het verzoek de opzegging te vernietigen. Voor het geval de kantonrechter dit verzoek toewijst, verzoekt X de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair op de e-grond, subsidiair op de g-grond en meer subsidiair op de h- en i-grond.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Ontslag op staande voet

X heeft aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat werknemer zonder opdracht, toestemming en/of overleg met het bestuur van X of SVCR een bedrag van € 5.392,98 heeft overgeboekt van de rekening van SVCR naar een privérekening die op zijn naam stond. Uit een schriftelijke verklaring van de voorzitter/secretaris van SVCE blijkt echter (1) dat het geld van SVCE na de opheffing van de zakelijke bankrekening van SVCE administratief is ondergebracht op de bankrekening van SVCR en (2) dat het totale saldo van € 5.392,98 op 19 maart 2020 met zijn medeweten is overgemaakt op een nieuw geopende tijdelijke bankrekening op naam van werknemer. Voor zover deze posten vragen hebben opgeroepen bij het bestuur van X of SVCR valt niet in te zien waarom X of SVCR niet eerder aan werknemer een toelichting hebben gevraagd, aldus de kantonrechter. Bovendien blijkt dat het totaalbedrag van € 5.392,98 tot de eurocent nauwkeurig overeenkomt met de bedragen die in de jaarrekeningen van SVCE zijn genoemd. Dat werknemer zichzelf met de transactie heeft willen verrijken is op geen enkele wijze gebleken. Volgens de kantonrechter heeft werknemer hooguit onhandig geopereerd door het geld zonder enig overleg met het bestuur van SVCR of X over te boeken op een speciaal daarvoor door hem geopende bankrekening. De kantonrechter oordeelt dan ook dat werknemer ten onrechte op staande voet is ontslagen. Daarbij is ook meegewogen: het lange dienstverband van 25 jaar en de omstandigheid dat werknemer betrokken is geweest bij de oprichting van X.

Ontbindingsverzoek e-grond en g-grond

Aan het ontbindingsverzoek van X ligt hetzelfde feitencomplex ten grondslag als voor het ontslag op staande voet. De kantonrechter oordeelt dat de handelwijze van werknemer niet van verwijtbaar handelen of nalaten getuigt, omdat niet is gebleken dat werknemer zichzelf met de overboeking heeft willen verrijken. Ook het subsidiaire verzoek tot ontbinding op de g-grond slaagt niet. Door de coronacrisis en het ontslag op staande voet heeft werknemer nog geen dag in zijn nieuwe functie als docent kunnen werken. Naar het oordeel van de kantonrechter dient werknemer een kans te worden geboden de functie van docent uit te oefenen. Daarbij dient werknemer zich wél te onthouden van het voeren van acties in eigen belang, zoals het opzetten van een website waarop protestreacties over zijn vertrek als directeur kunnen worden achtergelaten. Als hij geen professionele distantie kan bewaren ten aanzien van de organisatie en de bedrijfsvoering van X, dient hij er rekening mee te houden dat een eventuele nieuwe ontbindingsprocedure in zijn nadeel uitvalt, aldus de kantonrechter.

Ontbindingsverzoek h-grond en i-grond

Omdat het ontbindingsverzoek op de h-grond niet van een deugdelijke onderbouwing is voorzien, wordt het afgewezen. Voor wat betreft de i-grond overweegt de kantonrechter dat de enkele stelling van X dat sprake is van een combinatie van verwijtbaar handelen of nalaten op basis van de g- en h-grond en een door toedoen van werknemer ontstane verstoorde arbeidsverhouding onvoldoende is. Bovendien is ook geen van de afzonderlijke ontslaggronden bijna voldragen.