Naar boven ↑

Rechtspraak

Federatie Nederlandse Vakbeweging en Vakvereniging voor Machinisten en Conducteurs/N.V. Nederlandse Spoorwegen
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 23 maart 2022
ECLI:NL:RBMNE:2022:2258
Geschil over de uitleg van de bepalingen omtrent de ontslaguitkering, de aftoppingsregeling en de pensioenopbouw uit de NS-cao.

Feiten

Federatie Nederlandse Vakbeweging (hierna: FNV) en Vakvereniging voor Machinisten en Conducteurs (hierna: VVMC) zijn betrokken bij de achtereenvolgende ondernemings-cao’s van N.V. Nederlandse Spoorwegen (hierna: NS). Van de achtereenvolgende NS-cao’s maakt(e) een sociaal plan onderdeel uit, houdende de voorwaarden waaronder reorganisaties werden doorgevoerd. In het kader van een reorganisatie is tussen FNV en VVMC enerzijds en NS anderzijds verschil van mening ontstaan over de uitleg van artikel 4 onder a sub v (de hoogte van de ontslaguitkering) en artikel 4 onder c sub ii (de aftoppingsregeling) van hoofdstuk 11 van de NS-cao 2017-2020, en over de uitleg van artikel 26 lid 6 van hoofdstuk 10 (de pensioenopbouw na ontslag) van de NS-cao’s. Twee ‘premobiele’ werknemers hebben in 2021 hun werkgever, NS Reizigers B.V., in kort geding gedagvaard. In dit kort geding werd getwist over de uitleg van twee van de drie cao-bepalingen die ook in onderhavige bodemprocedure aan de orde zijn. FNV en VVMC vorderen dat voor recht wordt verklaard dat werknemers die bij uitdiensttreding wegens reorganisatie voldoen aan de voorwaarden van de 50+-regeling ook vanaf 1 januari 2020 recht hebben op een ontslaguitkering die is gebaseerd op de hogere transitievergoeding volgens die inmiddels vervallen wettelijke regeling voor oudere werknemers. Voorts vorderen zij dat voor recht wordt verklaard dat bij de toepassing van de aftoppingsregeling een Private Aanvulling WW en WGA (PaWW)-uitkering niet is aan te merken als een ‘sociale uitkering’ in de zin van dat artikellid. Tevens vorderen FNV en VVMC dat voor recht wordt verklaard dat de pensioenopbouw van werknemers wordt voortgezet gedurende de periode dat recht bestaat op een WW-uitkering en dat de premies daarvoor voor rekening van NS komen.

Oordeel

Ontslaguitkering

De kantonrechter volgt de bonden in hun uitleg van artikel 4 onder a sub v van hoofdstuk 11 van de NS-cao 2017-2020 die de nadruk legt op de letterlijke tekst van de cao-bepaling, inhoudende dat de ontslaguitkering een veelvoud bedraagt van ‘de wettelijke transitievergoeding zoals geldend op 1 juli 2015’ waaruit wordt afgeleid dat bij de berekening van de transitievergoeding de ouderenregeling van artikel 7:673a lid 1 (oud) BW moet worden meegenomen omdat die op 1 juli 2015 nu eenmaal onderdeel uitmaakte van de wettelijke regeling waarbij in het sociaal plan is aangehaakt. De ontslaguitkering hoeft hierbij niet te worden ‘gefixeerd’ op de hoogte van de transitievergoeding die het op 1 juli 2015 had. Ook de loonontwikkeling en diensttijd vanaf die datum moeten worden meegenomen. Maar er is wel meer. NS wijst op de woorden ‘overgangsrecht’ en ‘tot 2020’ in de voetnoot bij hoofdstuk 11 van de NS-cao 2015-2017. Deze woorden zijn echter niet van zodanig gewicht dat aan de cao-bepaling een andere uitleg toekomt.

Aftoppingsregeling en de PAWW-uitkering

Gelet op de strekking van aftoppingsregelingen, om een vergelijking te maken van de daadwerkelijke inkomenspositie tussen ontslag en AOW met een fictieve waarin het ontslag wordt weggedacht, moet ook een PAWW-uitkering geacht worden te behoren tot de ‘sociale uitkeringen’ die een (gewezen) werknemer tussen de beëindiging van het dienstverband en het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd geniet. Dat de PAWW-voorziening voor NS-werknemers pas sinds 1 februari 2019 gold en dus nog niet bestond toen de aftoppingsregeling in het cao-overleg werd afgesproken, maakt dit niet anders. Dezelfde strekking geldt immers nog steeds.

Voortzetting van pensioenopbouw na ontslag

FNV en VVMC kunnen niet worden gevolgd in hun standpunt dat de verplichting om de pensioenopbouw na ontslag en tijdens WW voort te zetten rechtstreeks volgt uit artikel 26 lid 6 van hoofdstuk 10 van de achtereenvolgende NS-cao’s en dat deze cao-bepaling los staat van (de wijzigingen van) het pensioenreglement. Nadat de FVP per 1 januari 2011 was afgeschaft, heeft het pensioenreglement enige tijd voorzien in een ‘FVP- vervangend product’, maar dat is per 1 april 2020 vervallen. Niet gesteld of gebleken is dat die wijzigingen in de pensioenregeling onreglementair zijn doorgevoerd. Ook de stelling van de bonden, dat artikel 12.6 van het pensioenreglement grondslag biedt voor het recht op premievrije voortzetting van de pensioenopbouw na ontslag, faalt. Dat artikel koppelt de mogelijkheid van een dergelijke voorziening immers aan een daartoe strekkende afspraak in een sociaal plan of afvloeiingsregeling, en die ontbreekt.