Naar boven ↑

Rechtspraak

V.O.F. c.s./werkneemster
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 11 januari 2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:58
Werkgever stelt in hoger beroep dat werkneemster tijdens het kort geding in eerste aanleg een leugenachtige verklaring heeft afgelegd en door middel van een doortrapte strategie loonbetalingen heeft gekregen, waar zij geen recht op heeft.

Feiten

Werkneemster is op 5 september 2018 in dienst getreden bij een kledingzaak met drie vestigingen (hierna: Vof c.s.), aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden. Zij werkte als shopmanager tot 21 maart 2020 in de vestiging te Den Haag. Deze vestiging is toen gesloten vanwege de coronacrisis. Vof c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat (elkaar opvolgende tijdelijke) arbeidsovereenkomsten met werkneemster van rechtswege per 31 maart 2020 zijn geëindigd en heeft haar dat meegedeeld. Werkneemster stelt dat er sprake zou zijn van drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, maar dat zij alleen de eerste arbeidsovereenkomst heeft ondertekend. Met een beroep op artikel 843a Rv vordert werkneemster in kort geding de (originele) arbeidsovereenkomst(en) af te geven aan haar, dan wel aan een forensisch onderzoeksbureau, voor authenticiteitsonderzoek. Bij vonnis van 17 februari 2021 heeft de voorzieningenrechter Vof c.s. veroordeeld om alle in hun bezit zijnde originele arbeidsovereenkomsten met werkneemster, gedateerd 5 september 2018 en 25 februari 2019, waarop de ‘natte’ handtekeningen van partijen staan, tijdelijk aan de advocaat van werkneemster af te geven, ten behoeve van een onderzoek door een door werkneemster aan te wijzen forensisch onderzoeksbureau. Vof c.s. bestrijdt het vonnis en voert daartoe vier grieven aan: (1) de voorzieningenrechter heeft ten onrechte overwogen dat werkneemster een rechtmatig belang heeft bij haar vordering, (2 en 3) Vof c.s. bestrijdt de overweging van de voorzieningenrechter dat het aannemelijk is dat Vof c.s. over meerdere exemplaren van de originele arbeidsovereenkomsten beschikt en (4) Vof c.s. keert zich tegen het toewijzen van de vorderingen van werkneemster.

Oordeel

Grief 1 faalt. Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat werkneemster een rechtmatig belang heeft bij afgifte door Vof c.s. van de originele arbeidsovereenkomsten die deze in bezit heeft. Partijen beschuldigen elkaar over en weer van het plegen van, kort gezegd, bedrog: Vof c.s. door te stellen dat werkneemster in strijd met de waarheid ontkent de arbeidsovereenkomst gedateerd 25 februari 2019 te hebben getekend, en werkneemster door te stellen dat Vof c.s. de arbeidsovereenkomst gedateerd 25 februari 2019 heeft vervalst, omdat werkneemster die overeenkomst (voor de duur van een jaar) nimmer heeft ondertekend. Indien immers zou komen vast te staan - althans voldoende aannemelijk zou worden - dat Vof c.s. de arbeidsovereenkomst waarop zij zich beroept, en die tot het van rechtswege eindigen van het dienstverband met werkneemster zou leiden, blijkt te hebben vervalst, kan dat van belang zijn voor de vraag of Vof c.s. in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
De grieven 2 en 3 falen volgens het hof eveneens. Het hof acht de verklaring van Vof c.s. dat zij niet meer over genoemde originele arbeidsovereenkomsten beschikt zo onaannemelijk, dat het hof hieraan in het kader van de onderhavige procedure geen waarde toekent. Het hof gaat ervan uit dat Vof c.s. nog wel de beschikking heeft of kan krijgen over de originele arbeidsovereenkomsten die zij in bezit had en dus aan een veroordeling tot afgifte ervan kan voldoen. Ook grief 4 faalt omdat naar het oordeel van het hof de voorzieningenrechter op juiste gronden Vof c.s. heeft veroordeeld tot afgifte van genoemde originele arbeidsovereenkomsten, op de wijze zoals in het bestreden vonnis beschreven. Ook heeft de voorzieningenrechter aan de weigering aan die veroordeling te voldoen, terecht de bij het bestreden vonnis opgelegde dwangsommen verbonden. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis.